Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
09/4389 WAZO, 09/4390 WAZO, 09/4391 ZW, 10/1394 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluiten 1) en 2) betreffen de uitvoering van de WAZO. In die besluiten kan geen weigering ZW-uitkering gelezen worden. 3) Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard door het Uwv. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding. 4) Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor eigen werk. Medisch onderzoek is zorgvuldig geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4389 WAZO, 09/4390 WAZO, 09/4391 ZW, 10/1394 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 31 juli 2009, 08/815 + 08/816 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/817 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en van 22 februari 2010, 08/1792 (hierna: aangevallen uitspraak 3)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 mei 2011. Daarbij zijn de zaken gevoegd behandeld. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Janssen-Nihof.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij brieven van 18 oktober 2007, respectievelijk 25 februari 2008 heeft de gemachtigde van appellante het Uwv meegedeeld dat appellante omstreeks 20 maart 2007 ziek is geworden en in het Academisch Ziekenhuis Maastricht is opgenomen in verband met complicaties rond haar zwangerschap. Op 17 juli 2007 is appellante bevallen van haar tweede kind.

1.2. Bij besluit van 15 januari 2008 is appellante met ingang van 20 maart 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. In dat besluit is tevens vermeld dat de uitkering op de eerste dag van herstel wordt beëindigd en dat de hersteldatum van appellante nog niet bekend is.

1.3. Bij besluit van 17 maart 2008 is appellante in verband met haar zwangerschap met ingang van 13 juni 2008 een uitkering ingevolge de Wet op Arbeid en Zorg (WAZO) toegekend. Bij besluit van eveneens 17 maart 2008 is appellantes zwangerschapsuitkering met ingang van 18 juli 2007 omgezet in een bevallingsuitkering en is de einddatum van die uitkering bepaald op 3 oktober 2007. In dat besluit is tevens aangegeven dat indien appellante aansluitend op haar bevallingsverlof ziek is, zij dat op de gebruikelijke wijze moet melden.

1.4. Namens appellante heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 17 maart 2008. Na telefonisch overleg van een medewerker van het Uwv met de gemachtigde is besloten om het ingediende bezwaar mede gericht te achten tegen het besluit van 15 januari 2008.

1.5. Bij een drietal besluiten van 22 mei 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen de met ingang van 13 juni 2007 toegekende zwangerschapsuitkering ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 1), het bezwaar tegen de vanaf 18 juli 2007 tot 3 oktober 2007 toegekende bevallingsuitkering eveneens ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 2) en het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2008 niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding (hierna: bestreden besluit 3).

1.6. Appellante is vervolgens met ingang van 3 oktober 2007 alsnog ziek gemeld. In dat kader is zij op 26 september 2008 door de verzekeringsarts medisch onderzocht. Op grond van het eigen onderzoek en de daarbij betrokken informatie uit het dossier van appellante, is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 26 september 2008 weer volledig geschikt is te achten voor het eigen werk bij de eigen werkgever. Bij besluit van 26 september 2008 is appellantes uitkering ingevolge de ZW per direct beëindigd. Het daartegen namens appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit 4) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante met de door haar ingestelde beroepen niet daadwerkelijk kan bereiken wat zij nastreeft, namelijk een uitkering ingevolge de ZW met ingang van 3 oktober 2007. Bij de aangevallen uitspraken 2 en 3 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen feiten of omstandigheden naar voren waaruit blijkt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Inzake de beëindiging van het ziekengeld van appellante met ingang van 26 september 2008 was de rechtbank van oordeel dat het daaraan ten grondslag gelegde medische onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was verricht en zij mitsdien geen reden had om de conclusie voor onjuist te houden dat appellante met ingang van die datum weer haar eigen arbeid kan verrichten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

09/4389 WAZO, 09/4390 WAZO

3.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bestreden besluiten 1 en 2 uitsluitend zien op de uitvoering van de WAZO en niet op de uitvoering van de ZW en dat in die besluiten ook geen weigering van een ZW-uitkering kan worden gelezen. Het in hoger beroep gehandhaafde standpunt dat appellante met ingang van 3 oktober 2007 in aanmerking moet worden gebracht voor een ZW-uitkering zonder daarvoor zelf een nieuwe aanvraag te moeten indienen, kan dan ook niet slagen. Overigens vermag de Raad niet in te zien welk belang appellante bij de handhaving van voormeld standpunt nog heeft, nu het Uwv haar bij besluit van 21 oktober 2008 met ingang van 3 oktober 2007 een ZW-uitkering heeft toegekend.

09/4391 ZW

3.2. Inzake het bestreden besluit 3 stelt de Raad met de rechtbank vast dat de termijn van zes weken waarbinnen appellante tegen het besluit van 15 januari 2008 bezwaar had kunnen maken ruim is overschreden, en dat appellante - ook in hoger beroep - geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan aanleiding zou kunnen bestaan om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Het hoger beroep kan derhalve niet slagen.

10/1394 ZW

3.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante met ingang van 26 september 2008 niet ongeschikt is te achten voor haar arbeid als productiemedewerker/controleur bij [werkgever] te [vestigingsplaats]. Daartoe overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en appellante aansluitend aan de hoorzitting heeft gesproken en lichamelijk heeft onderzocht. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. Anders dan appellante kennelijk meent, heeft de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen onderkend die appellante vanwege haar (herstel na een) keizersnede heeft. In zijn rapportage van 27 oktober 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts in dat kader aangegeven dat appellante vanwege haar gynaecologische aandoening niet in staat mag worden geacht om werkzaamheden te verrichten waarbij een verhoogde intra-abdominale druk ontstaat. Voor zover appellante moet tillen of dragen zal zij dat volgens de bezwaarverzekeringsarts met open mond moeten doen zodat de druk in de buik minder snel oploopt.

3.5. Met betrekking tot de in hoger beroep gehandhaafde grond van appellante dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte geen inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend specialist wijst de Raad erop dat uit de rapportage van de verzekeringsarts J.V.M. Pluymaekers van 26 september 2008 blijkt dat deze arts bij zijn medische onderzoek heeft meegewogen dat appellante onder behandeling is van een gynaecoloog die appellante bekkenbodemtherapie heeft voorgesteld en een suspensieoperatie indien de bekkenbodemtherapie geen soelaas biedt. Naar het oordeel van de Raad kan niet staande worden gehouden dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest, temeer niet nu appellante ook in hoger beroep geen andere medische gegevens heeft ingebracht waaruit het tegendeel moet blijken.

3.6. Ten aanzien van appellantes gehandhaafde grond dat het Uwv haar werkzaamheden bij [werkgever] niet als maatstaf arbeid had mogen hanteren, omdat dit bedrijf niet meer bestaat, overweegt de Raad als volgt. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv meegedeeld dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat [werkgever] te [vestigingsplaats] in mei 2009 failliet is gegaan. Hieruit kan worden afgeleid dat de functie van appellante op 26 september 2008, de datum hier in geding, nog bestond en appellante op dat moment dus in staat kon worden geacht om haar eigen arbeid te verrichten. De grief kan dan ook geen doel treffen.

4. Inzake het standpunt van appellante dat de uitkeringen veel te laat zijn uitbetaald waardoor zij recht heeft op de vergoeding van wettelijke rente, oordeelt de Raad dat appellante zich met een daartoe strekkend verzoek tot het Uwv dient te richten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter, en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM