Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
09/4596 WW + 09/5314 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot het namens appellant ingediende verzoek om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat de door appellant verrichte betalingen ingevolge het (in bezwaar bij besluit van 19 maart 2008 gehandhaafde en bij besluit van 27 augustus 2009 herziene) terugvorderingsbesluit van 18 september 2007 onverschuldigd zijn gedaan. De door appellant als gevolg van deze onverschuldigde betalingen gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken als schade voortvloeiende uit die besluiten en dienen door het Uwv te worden vergoed. De schade die ingevolge artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevormd door wettelijke rente, is toewijsbaar vanaf het moment dat de bedragen van de onverschuldigde betalingen van de rekening van appellant zijn afgeschreven, en wel tot aan de dag waarop die bedragen geheel aan appellant zijn terugbetaald. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Van andere te vergoeden schade is de Raad niet gebleken. Aangezien voor de kosten gemaakt in de bezwaarfase en in eerste aanleg al tot vergoeding van de in die procedures gemaakte kosten is besloten staat de Raad enkel nog geplaatst voor de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4596 + 09/5314 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 juli 2009, 08/1135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft op 17 januari 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 23 februari 2011 heeft mr. Fluit namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van de wettelijke rente.

Bij brief van 28 februari 2011 heeft het Uwv te kennen gegeven de proceskosten en de wettelijke rente te vergoeden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 januari 2011 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen.

Met betrekking tot het namens appellant ingediende verzoek om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat de door appellant verrichte betalingen ingevolge het (in bezwaar bij besluit van 19 maart 2008 gehandhaafde en bij besluit van 27 augustus 2009 herziene) terugvorderingsbesluit van 18 september 2007 onverschuldigd zijn gedaan. De door appellant als gevolg van deze onverschuldigde betalingen gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken als schade voortvloeiende uit die besluiten en dienen door het Uwv te worden vergoed. De schade die ingevolge artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevormd door wettelijke rente, is toewijsbaar vanaf het moment dat de bedragen van de onverschuldigde betalingen van de rekening van appellant zijn afgeschreven, en wel tot aan de dag waarop die bedragen geheel aan appellant zijn terugbetaald. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Van andere te vergoeden schade is de Raad niet gebleken.

Aangezien voor de kosten gemaakt in de bezwaarfase en in eerste aanleg al tot vergoeding van de in die procedures gemaakte kosten is besloten staat de Raad enkel nog geplaatst voor de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 644,--.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

KR