Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
09-6626 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering op de grond dat appellant op en na die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden gemeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn oorspronkelijk afwijzende besluit. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is de conclusie van het Uwv, dat bij de medische beoordeling in 1995/1996 voldoende rekening is gehouden met de ernstige vermoeidheidsklachten van appellant waarvan thans is komen vast te staan dat zij mogelijk het gevolg van MS waren, niet te volgen. De Raad ziet geen reden om aan de bevindingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen en ziet ook overigens in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het standpunt van appellant dat hij in 1995/1996 het beginstadium van MS reeds voorbij was en hij daardoor niet in staat was zijn arbeid voltijds te verrichten, wordt door hem niet nader met medisch objectieve gegevens onderbouwd. De Raad zal aan dit standpunt derhalve voorbijgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6626 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2009, 09/858 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche, werkzaam bij De Unie te Culemborg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 mei 2011. Voor appellant is mr. Mussche verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 9 januari 1996 is de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 15 januari 1996 beëindigd op de grond dat hij op en na die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

1.2. Bij brief van 20 februari 2008 heeft appellant het Uwv verzocht om van het besluit van 9 januari 1996 terug te komen. Volgens appellant is uit onderzoeken van de neuroloog, H.W. ter Spill, gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een herziening van dat besluit rechtvaardigen. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de verzekeringsarts M.B.F.A. Strik besloten om een onafhankelijke neuroloog van verslag en advies te laten dienen. Op 17 juli 2008 heeft dr. J.F. de Rijk-van Andel, neuroloog bij het Amphia ziekenhuis te Breda, rapport uitgebracht.

1.3. Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het besluit van 9 januari 1996 wordt gehandhaafd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Nadat de bezwaarverzekeringsarts op 22 januari 2009 advies heeft uitgebracht, heeft het Uwv bij besluit van 3 februari 2009 het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat niet wordt ontkend dat de bij appellant gestelde diagnose Multipele Sclerose (MS) een nieuw feit is en de destijds bij appellant aanwezige ernstige vermoeidheidsklachten mogelijk deels het gevolg van MS waren, maar dat bij de medische beoordeling in 1995/1996 voldoende rekening met die klachten is gehouden. Op grond daarvan is er volgens het Uwv geen reden om terug te komen van het besluit van 9 januari 1996.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het door appellant aangevoerde argument dat zijn vermoeidheidsklachten in 1995 en in 1996 deels hun oorsprong vonden in een beginstadium van MS gelet op de naderhand bekend geworden diagnose aan te merken is als nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de rechtbank is het daarop verrichte medische onderzoek zorgvuldig tot stand gekomen en kan niet worden gezegd dat het Uwv de gezondheidsklachten van appellant toentertijd onvoldoende heeft onderkend.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden gemeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn oorspronkelijk afwijzende besluit.

3.2. Bij besluit van 9 januari 1996 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat appellant op en na 15 januari 1996 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij daarom met ingang van 15 januari 1996 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het destijds tegen dit besluit ingestelde beroep heeft appellant naar hij stelt vanwege gezondheidsredenen ingetrokken. Het besluit van 9 januari 1996 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. Bij brief van 20 februari 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend ertoe strekkende dat opnieuw zal worden beoordeeld of hij op en na 15 januari 1996 wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

3.3. De Raad stelt voorop dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing door de bestuursrechter als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is de conclusie van het Uwv, dat bij de medische beoordeling in 1995/1996 voldoende rekening is gehouden met de ernstige vermoeidheidsklachten van appellant waarvan thans is komen vast te staan dat zij mogelijk het gevolg van MS waren, niet te volgen. Daartoe overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer in zijn rapportage van 22 januari 2009 heeft aangegeven dat hij de zienswijze van de primaire verzekeringsarts Strik volledig deelt, en dat die arts uitgebreid onderzoek bij appellant heeft verricht, onder andere door raadpleging van de huisarts en het laten verrichten van een neurologische expertise. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts is destijds op reële wijze rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant en werden forse energetische beperkingen aangenomen die niet alleen samenhingen met de toentertijd aanwezige enigszins gestoorde longfunctie van appellant. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is de vermoeidheid als uiting van de ziekte destijds voldoende vertaald naar lichamelijke beperkingen en wordt een en ander door de vaststelling van de diagnose MS bijna twaalf jaar later niet in een ander daglicht geplaatst, aangezien door het thans bekend worden van de diagnose MS de vermoeidheidsklachten van 1995/1996 immers niet ernstiger worden. Wat betreft appellants geschiktheid voor zijn werk van administratief medewerker bij een bank heeft de bezwaarverzekeringsarts van belang geacht dat de onafhankelijk deskundige, dr. De Rijk-van Andel heeft aangegeven dat appellant geacht moet worden in 1995/1996 nog voltijds in een lichte functie te kunnen functioneren.

3.5. De Raad ziet geen reden om aan de bevindingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen en ziet ook overigens in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het standpunt van appellant dat hij in 1995/1996 het beginstadium van MS reeds voorbij was en hij daardoor niet in staat was zijn arbeid voltijds te verrichten, wordt door hem niet nader met medisch objectieve gegevens onderbouwd. De Raad zal aan dit standpunt derhalve voorbijgaan.

3.6. Ten aanzien van de stelling van appellant dat het Uwv bij de beoordeling van zijn aanvraag een andere toets had moeten hanteren dan de marginale toets van artikel 4:6 van de Awb, omdat het in zijn geval gaat om een duuraanspraak, volgt de Raad niet. Er is immers geen sprake van een verzoek om terug te komen van een beslissing die betrekking heeft op een reeds aan appellant toegekende en lopende uitkering. Het besluit van 9 januari 1996 waarvan herziening wordt verzocht, betreft de beëindiging van een ZW-uitkering.

3.7. De door appellant aangevoerde grond dat bij de verzekeringsarts Strik sprake is geweest van vooringenomenheid omdat Strik ook betrokken is geweest bij de medische beoordeling in 1995/1996, vindt geen steun in de gedingstukken en wordt door de Raad dan ook verworpen. De Raad wijst er voorts op dat na het primaire onderzoek door de verzekeringsarts Strik de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer de situatie van appellant heeft herbeoordeeld en in de beroepsfase bij de rechtbank de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe andermaal naar de zaak heeft gekeken. Naar het oordeel van de Raad kan mitsdien niet staande gehouden worden dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts Strik louter vanwege eerdere betrokkenheid bij appellant zou moeten leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

3.8. Gelet op hetgeen onder 3.1 tot en met 3.7 is overwogen, heeft het Uwv op goede gronden geweigerd terug te komen van het besluit van 9 januari 2006. De Raad is dan ook van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR