Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
09-6640 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuikering. Schending inlichtingen verplichting. Verzwegen bankrekeningen. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de in 1.1 vermelde periodes in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College in beginsel bevoegd is tot terugvordering van de kosten van ten onrechte aan appellanten verleende bijstand. De verjaring De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het in dit geval gaat om een vordering waarop artikel 3:309 van het BW ziet. Volgens deze bepaling verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat het College begin 2005 een signaal van de Belastingdienst heeft ontvangen inzake bankrekeningen ten name van appellanten die tot dan toe niet bij het College bekend waren. Aan appellanten is toen eerst verzocht duidelijkheid te verschaffen hetgeen niet in toereikende mate is gebeurd. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in het besluit van 21 februari 2006 om tot intrekking van de bijstand over de in 1.1 vermelde periodes over te gaan. De Raad kan en zal in het midden laten of het aanvangsmoment van de verjaringstermijn, zoals het College heeft gesteld, precies samenvalt met de datum van het intrekkingsbesluit. Vaststaat immers dat het College in ieder geval niet vóór begin 2005 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Nu het terugvorderingsbesluit op 7 februari 2008 is genomen, is evident dat verjaring van de vordering hier niet aan de orde is. Het beroep op verjaring treft derhalve geen doel .Dringende redenen. De Raad ziet in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aan appellanten tot nu steeds (laatstelijk tot 12 maart 2012) uitstel is verleend om het teruggevorderde bedrag - al dan niet in maandelijkse termijnen - terug te betalen. Voorts zullen appellanten indien en zodra het daadwerkelijk tot terugbetaling zal komen bescherming kunnen ontlenen aan de bepalingen inzake de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6640 WWB

09/6641 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 november 2009, 08/7047 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.G. Evers, juridisch adviseur te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat te Leiden, zich voor appellanten gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Wijn, werkzaam bij de gemeente Leiderdorp.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellanten ontvingen algemene en bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de algemene bijstand van appellanten over de periodes van 1 juli 2000 tot 17 februari 2003 en van 23 april 2003 tot 2 juni 2003 alsmede de bijzondere bijstand over de periode van 1 juli 2000 tot 1 maart 2004 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten niet alle op hun naam staande bankrekeningen aan het College hebben gemeld, dat ook desgevraagd niet alle bankafschriften zijn overgelegd en dat stortingen op eigen rekening onverklaard zijn gebleven. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 2 mei 2007 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.2. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand over de onder 1.1 vermelde periodes van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 52.294,62, waarvan € 45.243,50 algemene bijstand en € 7.051,12 bijzondere bijstand.

1.3. Bij besluit van 2 september 2008 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 september 2008 ingestelde beroep, met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, het besluit van 2 september 2008 vernietigd en, zelf voorziend, het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 50.845,04. Daarbij is overwogen dat het aanvankelijk vastgestelde bedrag wegens ten onrechte verleende bijzondere bijstand niet helemaal correct is en alsnog op € 5.601,54 dient te worden vastgesteld. Het beroep op verjaring is verworpen onder verwijzing naar artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3. In hoger beroep hebben appellanten herhaald dat de vordering van het College ten tijde van het nemen van het terugvorderingsbesluit was verjaard en voorts aangevoerd dat het College geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien omdat de terugvordering voor appellanten tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen leidt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de in 1.1 vermelde periodes in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College in beginsel bevoegd is tot terugvordering van de kosten van ten onrechte aan appellanten verleende bijstand.

4.2. De verjaring

4.2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het in dit geval gaat om een vordering waarop artikel 3:309 van het BW ziet. Volgens deze bepaling verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt.

4.2.2. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat het College begin 2005 een signaal van de Belastingdienst heeft ontvangen inzake bankrekeningen ten name van appellanten die tot dan toe niet bij het College bekend waren. Aan appellanten is toen eerst verzocht duidelijkheid te verschaffen hetgeen niet in toereikende mate is gebeurd. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in het besluit van 21 februari 2006 om tot intrekking van de bijstand over de in 1.1 vermelde periodes over te gaan. De Raad kan en zal in het midden laten of het aanvangsmoment van de verjaringstermijn, zoals het College heeft gesteld, precies samenvalt met de datum van het intrekkingsbesluit. Vaststaat immers dat het College in ieder geval niet vóór begin 2005 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Nu het terugvorderingsbesluit op 7 februari 2008 is genomen, is evident dat verjaring van de vordering hier niet aan de orde is. Het beroep op verjaring treft derhalve geen doel.

4.3. Dringende redenen

4.3.1. Appellanten hebben aangevoerd dat de (effectuering van de) terugvordering voor hen tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen leidt. In dat verband hebben zij erop gewezen dat zij met hun verliesgevend bedrijf al jaren onder bijstandsniveau leven en dat daadwerkelijke invordering de nekslag voor hun bedrijf zal betekenen. De Raad ziet in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aan appellanten tot nu steeds (laatstelijk tot 12 maart 2012) uitstel is verleend om het teruggevorderde bedrag - al dan niet in maandelijkse termijnen - terug te betalen. Voorts zullen appellanten indien en zodra het daadwerkelijk tot terugbetaling zal komen bescherming kunnen ontlenen aan de bepalingen inzake de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

HD