Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
10-869 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. De Raad ziet in het in het kader van het hoger beroep ingebrachte rapport van 13 januari 2010 van arbeidsdeskundige Bouterse geen aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts, nu medische informatie in dit rapport ontbreekt en dit rapport is opgemaakt ver na de datum in geding en betrekking heeft op de arbeidsparticipatie van appellant in het kader van de Wet Werk en Bijstand. In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een onderzoek door een medisch deskundige te gelasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/869 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 februari 2010, 09/693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 23 februari 2011 zijn situatie nader toegelicht en een rapport van 13 januari 2010 van de arbeidsdeskundige A. Bouterse van Argonaut Advies te Bilthoven overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Knobben, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Janssen-Niehof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker. Per 21 januari 1998 is eiser uitgevallen wegens psychische klachten. Aan hem is per 20 januari 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van het aangepaste Schattingsbesluit heeft in 2005 opnieuw een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgehad. De uitkomst van deze onderzoeken heeft geleid tot intrekking van de WAO-uitkering per 7 februari 2006. In bezwaar is deze intrekking gehandhaafd bij besluit van 2 juni 2006. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. Het besluit van 2 juni 2006 staat in rechte vast.

Op 4 september 2008 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld met psychische klachten.”

1.2. Bij besluit van 16 december 2008 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) toe te kennen omdat appellant sedert 4 september 2008 niet toegenomen arbeidsongeschikt zou zijn. Bij besluit van 19 december 2008 is appellant bij gebreke van toegenomen klachten/beperkingen vanaf 4 september 2008 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

1.3. Bij besluit van 15 april 2009 is het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2008 ongegrond verklaard en is het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2008 gegrond verklaard. Omdat appellant vanaf 4 september 2008 een ZW-uitkering was toegekend heeft het Uwv deze ZW-uitkering om redenen van zorgvuldigheid eerst per 19 december 2008 beëindigd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 april 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het standpunt van het Uwv, dat er vanaf 4 september 2008 geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de voorgaande WAO-beoordeling, gebaseerd is op zorgvuldig onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts, waarbij informatie van de psychiater H. Meissner is betrokken. Nu door appellant geen nadere (medische) gegevens zijn ingebracht, die een ander licht werpen op de belastbaarheid van appellant of twijfel oproepen aan de vaststelling daarvan, heeft de rechtbank geen reden gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden of het advies van een medisch deskundige in te winnen. Gelet op het voorgaande is, aldus de rechtbank, op goede gronden afgezien van een arbeidskundige beoordeling in het kader van de WAO.

3. De Raad, oordelend over hetgeen tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, overweegt als volgt.

3.1. De stelling van appellant dat tegen het besluit van 2 juni 2006 wel rechtsmiddelen zijn aangewend dan wel dat het Uwv daarbij niet zou hebben voldaan aan een doorzendplicht, valt buiten de omvang van het geding in hoger beroep en behoeft daarom geen bespreking.

3.2. Dat appellant bij de verzekeringsarts R.F.H. Borsboom op 14 oktober 2008 slechts tien in plaats van negentig minuten op het spreekuur zou zijn geweest en niet (medisch) zou zijn onderzocht, hetgeen zou kunnen worden bevestigd door de vriend van appellant, vindt geen steun in het uitgebreide verslag daarvan van 15 december 2008. Daarbij wordt erop gewezen dat de bevindingen van de verzekeringsarts worden ondersteund door de overige in het dossier aanwezige medische gegevens en de door psychiater Meissner uitgebrachte expertise. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellant om hem moverende redenen in de bezwaarfase ervan heeft afgezien te worden gehoord en medisch te worden (her)onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts. Daarmee heeft hij de mogelijkheid prijsgegeven om in een veel eerder stadium zijn inhoudelijke en procedurele bezwaren tegen de gang van zaken bij het onderzoek van de verzekeringsarts kenbaar te maken, evenals de mogelijkheid van een hernieuwd medisch onderzoek in het kader van de heroverweging in bezwaar.

3.3. De eerst ter zitting geponeerde stelling van appellant dat psychiater Meissner in de ogen van het Medisch Tuchtcollege, na een klacht van appellant, nalatig zou zijn geweest leidt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat een uitspraak van dit college niet is overgelegd.

3.4. Voorts ziet de Raad in het in het kader van het hoger beroep ingebrachte rapport van 13 januari 2010 van arbeidsdeskundige Bouterse geen aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts, nu medische informatie in dit rapport ontbreekt en dit rapport is opgemaakt ver na de datum in geding en betrekking heeft op de arbeidsparticipatie van appellant in het kader van de Wet Werk en Bijstand.

3.5. In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een onderzoek door een medisch deskundige te gelasten.

4. Hetgeen hiervoor onder 3.1 tot en met 3.5 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en te komen tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

(get). H.G. Rottier.

(get.) T.J. van der Torn.

EF