Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
08-6553 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief dat de vakantietoeslag over het jaar 2002/2003 niet aan appellant is uitgekeerd, maar is verrekend met een openstaande vordering. Deze brief is gericht op rechtsgevolg. Dit besluit is niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Bezwaar is tijdig gemaakt. Op dit bezwaar is niet inhoudelijk beslist. In verband met finale geschillenbeslechting wordt een inhoudelijk oordeel gegeven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geldlening ten tijde van de verrekening reeds geheel teniet was gegaan, zodat niet valt in te zien waarom verrekening met (het restant van) die lening niet geoorloofd zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6553 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2008, 08/841 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft op nader aan te voeren gronden hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. G.A.H. Wiekamp, advocaat Hendrik-Ido-Ambacht, de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht van verhindering, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1 februari 1997, ingevolge de toen geldende Algemene bijstandswet, bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van 30 mei 2003 heeft appellant het College verzocht de vakantietoeslag over het jaar 2003 aan hem te betalen. Bij brief van 4 juli 2003 heeft het College aan appellant meegedeeld dat de vakantietoeslag over het jaar 2002/2003 niet aan hem is uitgekeerd, maar is verrekend met een openstaande vordering.

1.2. Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2003 beëindigd en een nog gereserveerd bedrag aan vakantietoeslag verrekend met openstaande vorderingen.

1.3. Bij brieven van 9 augustus 2007 en 23 oktober 2007 heeft appellant nogmaals verzocht de vakantietoeslag over het jaar 2003 uit te betalen. Daarbij heeft appellant er op gewezen dat hij van het College nimmer een reactie heeft gekregen op zijn brief van 30 mei 2003 en dat hij eerst op 26 juli 2007 heeft kennisgenomen van de brief van 4 juli 2003. Bij brief van 31 oktober 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering van het College om op het verzoek om uitbetaling van de vakantietoeslag een besluit te nemen.

1.4. Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het College de bezwaren van appellant voor zover gericht tegen de fictieve weigering gegrond verklaard en het verzoek tot uitbetaling van de vakantietoeslag over het jaar 2003 afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de juistheid van deze uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de onder 1.1 vermelde brief van 4 juli 2003 onmiskenbaar is gericht op rechtsgevolg en ook overigens de kenmerken heeft van een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De onder 1.1 genoemde mededeling van het College heeft immers gevolgen voor de, naar de Raad aanneemt: over de periode juni 2002 tot en met mei 2003, opgebouwde aanspraak van appellant op vakantietoeslag. Reeds omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend en zij daarmee de ongegrondverklaring van het beroep op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant tegen het besluit van 8 februari 2008 beoordelen.

4.2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van (primaire) besluiten die - zoals het besluit van 4 juli 2003 - tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.2. Het College heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 4 juli 2003 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De Raad gaat er voorts van uit dat appellant, zoals door hem op niet ongeloofwaardige wijze is betoogd, niet eerder dan op 26 juli 2007 kennis heeft gekregen van het besluit van 4 juli 2003. Dit betekent dat de wettelijke bezwaartermijn van zes weken geacht moet worden te zijn aangevangen op 27 juli 2007. Aangezien uit de inhoud van de brief van 9 augustus 2007, zoals in bezwaar tijdens de hoorzitting ook uitdrukkelijk door appellants toenmalige gemachtigde is betoogd, voldoende duidelijk naar voren komt dat appellant daarmee heeft beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van 4 juli 2003, is dat bezwaar tijdig gemaakt. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het College bij het besluit van 8 februari 2008 ten onrechte niet inhoudelijk op het bezwaar van appellant heeft beslist. Aan appellants eerst in hoger beroep opgeworpen stelling, dat het bezwaarschrift van 9 augustus 2007 mede was gericht tegen het besluit van 23 augustus 2003, van welk besluit appellant eveneens heeft gesteld dat hij daarvan eerst op 26 juli 2007 heeft kennisgenomen, gaat de Raad voorbij omdat de brieven van 9 augustus 2007 en 23 oktober 2007 en de overige gedingstukken geen enkele steun bieden voor die stelling.

4.3.1. Gelet op het overwogene onder 4.2.2 zal de Raad het besluit van 8 februari 2008 vernietigen en aansluitend, met het oog op finale geschillenbeslechting, bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven.

4.3.2. Het College heeft zich, onder verwijzing naar zijn beleid, op het standpunt gesteld dat de vakantietoeslag, indien aan de orde, altijd wordt verrekend, tenzij er dringende redenen zijn om alsnog van verrekening af te zien. De Raad ziet, evenals het College, geen aanleiding in het geval van appellant dringende redenen als hier bedoeld aanwezig te achten. Het beroep van appellant op het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel faalt. Aan de enkele omstandigheid dat in voorgaande en navolgende jaren tot uitbetaling van de vakantietoeslag is overgegaan, kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat de vakantietoeslag over de periode van juni 2002 tot en met mei 2003 ook niet wordt verrekend. Ook de omstandigheid dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam in een andere procedure heeft bepaald dat aan appellant de vakantietoeslag over 2006 en 2007 diende te worden uitbetaald, brengt op zichzelf nog niet mee dat de verrekening van de vakantietoeslag over genoemde periode in strijd is met de rechtszekerheid of met het vertrouwensbeginsel, dit reeds vanwege het feit dat ieder tijdvak een zelfstandige beoordeling vergt en de uitspraak van de voorzieningenrechter ziet op een ander dan het hier in geding zijnde tijdvak. Niet is komen vast te staan dat van de zijde van het College een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat verrekening van de vakantietoeslag met in 2001 toegekende leenbijstand niet mogelijk is, omdat hij nimmer voor een geldlening heeft getekend. Zoals de Raad in een ander geding tussen appellant en het College reeds oordeelde (CRvB 1 juli 2008, LJN BD6252) betekent het feit, dat aan appellant geen schuldbekentenis ter ondertekening is voorgelegd, nog niet dat geen toekenning van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening heeft plaatsgevonden. Omdat appellant voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze geldlening ten tijde van de verrekening reeds geheel teniet was gegaan, valt niet in te zien waarom verrekening met (het restant van) die lening niet geoorloofd zou zijn.

4.3.3. Gelet op hetgeen onder 4.3.2 is overwogen zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van appellant ongegrond te verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 18,20 voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 februari 2008 voor zover daarbij niet inhoudelijk op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2003 is beslist;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2003 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 984,20, waarvan € 340,20 te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD