Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
10-6263 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2009, LJN BK0978, heeft appellant een nieuw besluit op bezwaar genomen. Besluit is door de rechtbank vernietigd. De medische geschiktheid van een aantal functies staat niet vast, waardoor te weinig functies resteren. Hangende het hoger beroep zijn passende functies bijgeduid. Bevestiging aangevallen uitspraak. Rechtsgevolgen van het besluit worden in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6263 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 oktober 2010, 10/711 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma van 23 november 2010 overgelegd.

Namens betrokkene heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Vakmensen te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met geding 10/6261 ZW, plaatsgevonden op 18 mei 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts, betrokkene is niet verschenen. Ter afdoening zijn de gedingen vervolgens gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar hetgeen dienaangaande in de aangevallen uitspraak is vermeld en voegt daar het volgende aan toe.

1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2009, LJN BK0978, heeft appellant een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 15 februari 2010 (hierna: bestreden besluit), genomen. Bij dat besluit zijn gevoegd de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 februari 2010, een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van dezelfde datum en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 februari 2010. Het bezwaar van betrokkene dat was gericht tegen het besluit van 21 februari 2006 waarbij een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA) na het einde van de wachttijd met ingang van 31 januari 2006 werd geweigerd, is bij het bestreden besluit wederom ongegrond verklaard.

1.3. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zijn bepalingen opgenomen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daarbij is overwogen dat ten aanzien van de functies productiemedewerker machinaal inpakken (Sbc-code 111175) en inpakker (handmatig; Sbc-code 111190) de motivering van de geschiktheid van die functies met betrekking tot punt 1.9.8. (geen hoog handelingstempo) uit de FML van 3 februari 2010 onvoldoende is. De geschiktheid van deze aan betrokkene geduide functies staat derhalve niet vast. Er resteren slechts twee, en daarmee te weinig, functies - te weten productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (Sbc-code 111172) en machinebediende voedingsmiddelenindustrie (Sbc-code 271091) - om de arbeidsongeschiktheid van betrokkene te kunnen bepalen.

2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, omdat voldoende is beargumenteerd waarom de twee functies van inpakker geschikt zijn voor betrokkene. In zijn rapport van 23 november 2010 is de bezwaararbeidsdeskundige hier nogmaals op ingegaan. Met de beperkingen van betrokkene, zoals het vermijden van hoog handelingstempo als bedoeld bij item 1.9.8. uit de FML, wordt in de hier aan de orde zijnde functies van inpakker voldoende rekening gehouden.

3. Betrokkene heeft in hoger beroep herhaald hetgeen hij reeds bij de rechtbank had aangevoerd. Naar de mening van betrokkene is hij niet in staat de functies te verrichten. Uit de functiebeschrijving en uit de toelichtingen van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt niet voldoende gemotiveerd dat bij de functies van inpakker geen werkzaamheden met een hoog handelingstempo dienen te worden verricht. Voorts heeft betrokkene verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1. De Raad ziet geen aanleiding het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. Hetgeen in de aangevallen uitspraak onder 3.3 en 3.4 is overwogen kan worden onderschreven en de Raad neemt deze overwegingen hier geheel over. De opmerkingen van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 23 november 2010 naar aanleiding van de aangevallen uitspraak brengen de Raad niet tot een ander oordeel. De reeds door de rechtbank geuite twijfel over het handelingstempo in de onderhavige twee functies van inpakker is met dit rapport van 23 november 2010 niet weggenomen. Met name dat de rechtbank er met recht op heeft gewezen dat in beide hier bedoelde functies een bepaalde, concrete, minimumproduktie per uur moet worden gehaald. Dit wordt als zodanig niet door dit arbeidskundig rapport weersproken. Het bestreden besluit is dan ook terecht vernietigd.

4.2. Gelet op de thans beschikbare informatie ziet de Raad aanleiding om na te gaan of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.3. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, mede na door hem verricht onderzoek van betrokkene, beschikte over de nodige en voldoende medische informatie. Vastgesteld moet worden dat betrokkene geen relevante medische stukken heeft ingebracht die betrekking hebben op de datum die hier in geding is en die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat hij meer beperkt is dan door appellant is aangenomen. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel die wat de medische aspecten betreft tot een vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden.

4.4. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 november 2010 zijn tevens nieuwe functies bijgeduid, die naar het oordeel van de Raad geschikt zijn te achten voor betrokkene per de datum in geding. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het selecteren van nadere functies (‘bijduiden’) in (hoger) beroep een toelaatbare aanvulling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit bij een weigering van toekenning van uitkering bij het einde van de wachttijd zoals hier aan de orde. De Raad wijst in dit verband naar zijn uitspraak van 26 november 2008, LJN BG6207. Uitgaande van de FML van 3 februari 2010, de bijgeduide functies waaronder bijvoorbeeld die van archiefmedewerker (Sbc-code 315030), en de twee eerder aanvaarde functies met de Sbc-codes 111172 en 271091, is de Raad tot het oordeel gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 31 januari 2006 terecht door appellant is bepaald op minder dan 35%.

4.5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven.

5.1. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van betrokkene om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Een vergoeding van € 500,- per half jaar of per gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel werd overschreden, is gepast.

5.2. Vanaf de ontvangst door appellant van het bezwaarschrift van betrokkene op 5 april 2006, welk bezwaar gericht was tegen het besluit van 21 februari 2006, tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en bijna drie maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook in de opstelling van betrokkene geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Dit leidt tot het oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

5.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 15 april 2009 (LJN BI3008) en 22 december 2010 (LJN BO8537) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar door de Raad heeft geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Ook door appellant is ter zitting erkend dat de te lange behandelingsduur haar is toe te rekenen.

5.4. Nu de overschrijding van de redelijke termijn één jaar en bijna drie maanden bedraagt, verbindt de Raad hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure - voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - de totale door appellant aan betrokkene te betalen schadevergoeding € 1.500,- bedraagt.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten voor verleende rechtsbijstand ten bedrage van € 437,-. Voorts wordt bepaald dat van appellant met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 448,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-;

Veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 437,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 448,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM