Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
10-1522 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ANW-uikering. Ten onrechte gezamenlijke huishouding aangenomen. De overgelegde kwitanties bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat de door D. maandelijks aan appellante betaalde bedragen van € 150,-- aangemerkt kunnen worden als een bijdrage in de woonlasten van appellante. Van enige financiële verstrengeling is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere feiten en omstandigheden die wijzen op wederzijdse zorg. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1522 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2010, 08/1009 en 08/3098 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Ali, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 10 mei 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1946, ontving sinds 2006 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2. Nadat was gebleken dat in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van appellante ook [D.], geboren in 1984, stond ingeschreven, heeft de Svb ter zake een onderzoek ingesteld. In dat kader is op 19 november 2007 door een medewerker van de Svb een huisbezoek afgelegd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een op 19 november 2007 opgemaakt bezoekrapport en in een checklist die door appellante en [D.] is ondertekend.

1.3. De resultaten van het onderzoek zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 12 december 2007 de nabestaandenuitkering van appellante per 1 april 2007 in te trekken op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

1.4. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2007 en aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met [D.]. Zij heeft in dit kader benadrukt dat zij en haar overleden echtgenoot altijd mensen hebben geholpen die het moeilijk hadden, en dat zij dit ook heeft gedaan met [D.], die dakloos was en veel schulden had. Appellante stelt dat zij met ingang van 14 maart 2007 een kamer in haar woning verhuurt aan [D.] tegen een maandelijkse huurprijs van € 150,--. Ten bewijze van deze stelling heeft zij betalingsbewijzen in de vorm van kwitanties overgelegd over de periode 14 maart 2007 tot en met 15 december 2007.

1.5. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij blijft zich op het standpunt stellen dat zij en [D.] geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake is van wederzijdse zorg tussen appellante en [D.]. De Raad zal zich tot de beoordeling van dit aspect beperken.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 januari 2011, LJN BP1194) kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4. De Raad is van oordeel dat de gedingstukken, en met name de in de bezwaarfase overgelegde kwitanties, voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat de door [D.] maandelijks aan appellante betaalde bedragen van € 150,-- aangemerkt kunnen worden als een bijdrage in de woonlasten van appellante. Van enige financiële verstrengeling is naar het oordeel van de Raad niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere feiten en omstandigheden die wijzen op wederzijdse zorg. Weliswaar komt onmiskenbaar uit de verklaring van appellante naar voren dat zij in zekere mate zorg verleende aan [D.], maar de Svb heeft niet aannemelijk gemaakt dat tevens sprake was van enige zorg van [D.] jegens appellante. Dat appellante en [D.] ’s ochtends na de nachtdienst van [D.] gezamenlijk een (door appellante klaargemaakt) broodje ham/kaas en koffie nuttigden, kan bezwaarlijk worden aangemerkt als het bieden van zorg van [D.] aan appellante. Anders dan het College en de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat niet is gebleken van wederzijdse zorg.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de hier aan de orde zijnde intrekking van de nabestaandenuitkering van appellante niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het besluit van 19 februari 2008 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad acht het, gelet op het tijdsverloop, uitgesloten dat het gebrek dat kleeft aan het besluit van 12 december 2007 nog kan worden hersteld. Niet valt in te zien dat de Svb alsnog aannemelijk zal kunnen maken dat in de periode in geding sprake was van wederzijdse zorg. De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van

12 december 2007 te herroepen.

5. De Raad ziet voorts aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante, alsmede in de door haar in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.725,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 februari 2008;

Herroept het besluit van 12 december 2007;

Veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.725,--;

Bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD