Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
09/1199 WWB + 11/430 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening bijstandsuitkering naar gehuwdennorm is niet terecht. Geen sprake van een gezamenlijke huishouding. 2) Intrekking en beëindiging bijstandsuitkering. Kentekens geregistreerd op naam van appellant en ex-partner. Recht op uitkering niet vast te stellen. Terugvordering moet herberekend worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1199WWB 11/430 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Niimegen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 januari 2009, 08/3360 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.M.J.P. Michiels, advocaat te Wijchen, een verweerschrift ingediend.

Op 5 januari 2011 heeft appellant een nader besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Michiels.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene heeft in het verleden een relatie gehad met [H.] (hierna: [H.]). Uit deze relatie zijn drie kinderen geboren. [H.] was gedetineerd van december 2003 tot juni 2004 en van augustus 2004 tot 14 juli 2005. Betrokkene ontving van 1 april 2004 tot en met 30 november 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. De uitbetaling van de bijstand is geblokkeerd per 1 december 2007 wegens vermoeden van uitkeringsfraude.

1.2. Bij besluit van 18 februari 2008 heeft appellant, voor zover hier van belang, de bijstand van betrokkene over de periode van 14 juli 2005 tot en met 30 november 2007 herzien naar 50% van de gehuwdennorm, de bijstand met ingang van 1 december 2007 ingetrokken, de bijstand per 19 februari 2008 beeindigd en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 juli 2005 tot en met 30 november 2007 van haar teruggevorderd. Daaraan is onder meer ten grondslag gelegd dat betrokkene met [H.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zonder daarvan melding te maken bij appellant. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt ten aanzien van de periode 14 juli 2005 tot 1 december 2007.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2008 is, met wijziging van de formele grondslag, het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond verklaard. Overwogen is verder dat voor de terugvordering als uitgangspunt is genomen dat betrokkene recht heeft op bijstand naar de helft van de gehuwdennorm, met uitzondering van de maanden waarin de

registratie van kentekens op naam van haar of [H.] zijn beeindigd omdat over die maanden het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 juni 2008, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, het besluit van 16 juni 2008 vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe

heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene en [H.] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dat de rapportage van de sociale recherche niet op ambtseed'of ambtsbelofte is opgemaakt, dat geen huisbezoek aan de woning van betrokkene is afgelegd en, ten aanzien van de kentekens op naam, dat appellant de hoogte van de terugvordering ten onrechte mede afhankelijk heeft gesteld van de maanden waarin de kentekens op naam van betrokkene en [H.] hebben gestaan.

3. Bij besluit van 5 januari 2011 heeft appellant naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is als ingangsdatum van de terugvordering 1 oktober 2005 genomen en is de terugvordering nader becijferd op een bedrag van € 26.704,94. Tevens is daarbij een vergoeding voor de kosten van de

bezwaarprocedure toegekend van € 644,--. De Raad zal dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.

4. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat wel voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding, dat blijkens de overgelegde stukken wel degelijk sprake is van op ambtseed en -belofte opgemaakte processen-verbaal, dat een huisbezoek, nadat de bijstand al is ingetrokken, zinledig is en

dat de door de rechtbank veronderstelde basis voor de terugvordering ook over maanden waarin geen sprake was van een beëindiging van de registratie van het kenteken op een onjuiste lezing van het besluit van 16 juni 2008 berust.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad ziet anders dan appellant geen toereikende grondslag voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding over de periode gelegen voor 28 november 2005. Het enkele feit dat betrokkene ook reeds voor die datum kentekens van auto's van [H.] op haar naam had staan, zodat - zoals door appellant is betoogd - ook voor die datum weer sprake was van herstel van contact tussen betrokkene en [H.], acht de Raad daarvoor onvoldoende. Daarentegen is de Raad met appellant, en anders dan de rechtbank, van oordeel dat wel voldoende grondslag aanwezig is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding vanaf 28 november 2005. Daarbij is van betekenis dat uit de vroegere relatie van betrokkene en [H.] kinderen zijn geboren, zodat ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding volstaat de vaststelling dat betrokkene en [H.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad acht voor deze vaststelling doorslaggevend de door [H.] tegenover de sociaal rechercheurs Peeters en Olthof op 7 januari 2007 (lees: 2008) afgelegde en door hem ondertekende verklaring, waaraan het volgende is ontleend:

" (...) Ik kwam sinds28-ll-2005 op het adres van mijn ex-partner (...) Ik hebmijn ex-partner in het verleden een keer mishandeld. Ik heb daarvoor vast gezeten. Ik heb het met [A.] uitgepraat en wij hebben nu weer goed contact. Vanuit Kairos werd mij geadviseerd om eigen woonruimte te hebben. Ik moet op mijzelf kunnen terugvallen voor de momenten dat het niet goed met mij gaat. In de praktijk kwam ik alle dagen daar op de Malvert bij [A.]. Ik heb daar niet altijd geslapen. Er zijn perioden geweest dat ik alle nachten op de Malvert verbleef maar er zijn ook dagen bij geweest dat ik 's nachts in de Lankforst sliep. U vraagt mij of ik mijn flat wel eens heb onderverhuurd. Ik heb in de periode van januari 2005 tot oktober 2005 mijn woning ter beschikking gesteld aan een vrouw, genaamd [M.].(...) Ik kan mij voorstellen dat de buurtbewoners denken dat ik bij [A.] woon, maar zij weten niet waar ik slaap. (...).

5.2. De Raad stelt verder vast dat de verklaring onder 5.1 steun vindt in verklaringen van enige naaste buren en het feit dat [H.] heeft erkend dat hij de door hem gehuurde woonruimte aan een derde ter beschikking heeft gesteld. De Raad merkt hierbij nog op dat de in de verklaring van [H.] opgenomen zinsnede "januari 2005 tot oktober 2005" een evidente misslag betreft en (kennelijk) moet worden gelezen als "januari 2006 tot oktober 2006" aangezien [H.] de betreffende woning pas eind 2005 zelf is gaan huren.

5.3. Dit betekent dat het hoger beroep, voor zover dit ziet op de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding, slaagt voor wat betreft de periode van 28 november 2005 tot en met 30 november 2007. Voor wat betreft de periode voorafgaand aan 28 november 2005 bestond geen grond voor herziening van de norm van een alleenstaande ouder naar de helft van de gehuwdennorm

5.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat over de periode van 28 november 2005 tot en met 30 november 2007 de kentekens op naam van zowel betrokkene als van [H.] in aanmerking moeten worden genomen en wel met dien verstande dat over de maanden waarin de registratie op naam van een van beiden is beëindigd, naar vaste rechtspraak, het

recht op bij stand niet is vast te stellen en de bij stand derhalve terecht is ingetrokken.

Anders dan de rechtbank veronderstelt, heeft appellant zulks ook gedaan en daarop de intrekking en terugvordering gebaseerd.

5.5. Uit de stukken blijkt verder dat over de maanden oktober en november 2005 geen registraties van kentekens op naam van betrokkene zijn beëindigd, zodat in zoverre voor intrekking van de bijstand over die periode geen grond bestond.

5.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 16 juni 2008 vernietigen voor zover dit ziet op de herziening en intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode tot 28 november 2005, en het besluit van 18 februari 2008 in zoverre herroepen. De Raad zal het besluit van 16 juni 2008 geheel vernietigen voor zover dit ziet op de terugvordering aangezien een besluit tot terugvordering ondeelbaar is.

De Raad stelt vast dat de periode waarover kan worden teruggevorderd, door deze uitspraak vaststaat. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Daarom zal hij appellant opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2008 en daarbij de terugvordering te bepalen op het bedrag dat overeenkomt met de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 28 november 2005 tot en met 30 november 2007. De Raad ziet in dit geval, nu nog slechts een nieuw te maken berekening van het terug te vorderen bedrag resteert ten aanzien van de in deze uitspraak duidelijk gemarkeerde perioden, en daarover naar verwachting geen nieuwe discussie zal kunnen ontstaan, af van toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus om te komen tot finale beslechting van het geschil. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene tegen de terugvordering op zichzelf in beroep noch in hoger beroep gronden heeft aangevoerd.

5.7.Aangezien de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, is daarmee aan het nader besluit van 5 januari 2011 de grondslag komen te ontvallen. Dit besluit dient daarom te worden vernietigd.

6. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,-- voor rechtsbijstand en € 28,60 voor reiskosten van betrokkene, derhalve in totaal op € 833,60.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 juni 2008 voor zover dit ziet op de herziening en intrekking van de bijstand over de periode voorafgaand aan 28 november 2005;

Herroept het besluit van 18 februari 2008 in zoverre;

Vernietigt het besluit van 16 juni 2008 voor wat betreft de terugvordering;

Draagt appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor wat betreft de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

Vernietigt het besluit van 5 januari 2011;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 833,60.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD