Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
09-4570 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke ontheffing van arbeidsverplichtingen. Appellant dient tenminste 26 uur per week beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Het College mocht zijn besluitvorming op de rapportage van 13 oktober 2008 baseren. Niet is gebleken dat deze rapportage wat de wijze van totstandkoming of wat de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zou zijn. Uit de rapportage blijkt dat aandacht is geschonken aan de door appellant gestelde klachten en dat informatie van de behandelend psycholoog-psychotherapeut bij het onderzoek is betrokken. De door appellant in hoger beroep overgelegde (medische) stukken kunnen niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat deze stukken zien op een periode die is gelegen na de periode waarop het besluit van 10 februari 2009 betrekking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4570 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2009, 09/1189 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en nog nadere stukken ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2011. Voor appellant is, zoals bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 29 oktober 1990 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Omdat appellant volledig arbeidsongeschikt werd geacht heeft het College hem bij besluit van 7 juni 2004 met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheven van zijn sollicitatieplicht. Deze ontheffing gold tot 28 mei 2005.

1.2. In het kader van onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden is appellant op 15 mei 2008 medisch onderzocht door P.J.C. Holthaus, bedrijfsarts van Achmea. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage Belastbaarheidsonderzoek van 15 mei 2008. Hierin wordt geconcludeerd dat appellant in staat is om 40 uur per week, met beperkingen, activiteiten te ontplooien. Bij appellant is sprake van ziekte of gebreken die leiden tot een structurele functionele beperking, maar hij kan naar verwachting voor meer dan 65% worden ingeschakeld op de arbeidsmarkt.

1.3. Bij besluit van 25 juli 2008 heeft het College appellant verplicht om, met beperkingen, zo breed mogelijk te solliciteren naar alle soorten werk die hij aankan. Daarnaast moet hij meewerken aan voorzieningen die de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam hem aanbiedt.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juli 2008. In het kader van de bezwaarprocedure is appellant op 13 oktober 2008 medisch onderzocht door C. Geurts, bedrijfsarts van Achmea. Daarbij is aandacht besteed aan appellants klachten en informatie ingewonnen bij K. Odink, behandelend psycholoog-psychotherapeut van appellant. In de rapportage Belastbaarheidsonderzoek van 13 oktober 2008 is geconcludeerd dat appellant meer dan 65% arbeidsgeschikt is en 28 tot 32 uur per week belastbaar is voor werk.

1.5. Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juli 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat appellant tenminste 26 uur per week beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij, samengevat, aangevoerd dat het College zijn besluitvorming niet op de rapportage van 13 oktober 2008 van bedrijfsarts C. Geurts heeft mogen baseren omdat het geen deugdelijke en grondige rapportage betreft, hetgeen voor de rechtbank aanleiding had moeten zijn om een medisch deskundige in te schakelen. Voorts zijn de medische omstandigheden van appellant aan te merken als dringende redenen in de zin van artikel 9, tweede lid, van de WWB op grond waarvan appellant moet worden ontheven van de opgelegde arbeidsverplichting. Verder heeft appellant verzocht om schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is de bijstandsgerechtigde jonger dan 65 jaar verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden (…);

b. gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 9, tweede lid, van de WWB bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het College in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

4.2. Anders dan appellant is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College zijn besluitvorming op de onder 1.4 vermelde rapportage van 13 oktober 2008 heeft mogen baseren. Niet is gebleken dat deze rapportage wat de wijze van totstandkoming of wat de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zou zijn. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit deze rapportage blijkt dat aandacht is geschonken aan de door appellant gestelde klachten en dat informatie van de behandelend psycholoog-psychotherapeut bij het onderzoek is betrokken. De door appellant in hoger beroep overgelegde (medische) stukken kunnen niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat deze stukken zien op een periode die is gelegen na de periode waarop het besluit van 10 februari 2009 betrekking heeft. De Raad overweegt voorts dat appellant geen objectieve medische gegevens heeft ingebracht die afbreuk doen aan de bevindingen zoals die zijn neergelegd in de rapportages van 15 mei 2008 en 13 oktober 2008. Daarom was, anders dan appellant betoogt, de rechtbank niet gehouden nader (medisch) onderzoek te laten verrichten door een deskundige.

4.3. De Raad ziet in de gestelde medische omstandigheden van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB, zodat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestond om appellant volledig dan wel verdergaand van zijn arbeidsverplichting te ontheffen. Dat appellant feitelijk nog tot

25 juli 2008 is vrijgesteld van de verplichting om actief te solliciteren, maakt dit niet anders.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. Gelet op het voorgaande bestaat voor toewijzing van schadevergoeding geen ruimte.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

HD