Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
09-2419 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten verbonden aan het curatorschap over appellant over de jaren 2006 en 2007 buiten behandeling gesteld. De verzochte gegevens waren van belang voor de beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand en de ontbrekende gegevens zijn, ondanks de gegeven hersteltermijn verwijtbaar niet tijdig aangeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2419 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2009, 08/1314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn zuster, A.C. Oedayrajsingh Varma (hierna: curator), hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2011. Voor appellant is niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 6 november 2007 heeft de curator namens appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten verbonden aan het curatorschap over appellant over de jaren 2006 en 2007. Bij brief van 6 november 2007 is aan de curator verzocht vóór 20 november 2007 aanvullende informatie te verstrekken, waaronder met name een overzicht van de gemaakte kosten ten behoeve van appellant. Bij brief van 20 november 2007 is dat verzoek herhaald. Daarbij is tevens aangegeven dat de gevraagde gegevens vóór 5 december 2007 moeten worden overgelegd en dat, als de verlangde informatie niet of niet volledig wordt verstrekt, de aanvraag niet verder zal worden behandeld. Bij besluit van 21 december 2007 heeft het College de aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.2. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het College het tegen het besluit van 21 december 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat naar aanleiding van de brief van 6 november 2007 slechts een deel van de verzochte gegevens is overgelegd en dat op de brief van 20 november 2007 in het geheel niet is gereageerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 maart 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft de curator namens appellant, samengevat, aangevoerd dat in 2005 door het College nog zonder bewijsstukken bijzondere bijstand in de gevraagde kosten is verleend, dat zij door persoonlijke problemen destijds niet in staat was tijdig te reageren, dat zij geen urenverantwoording kan geven en dat zij niet alle gemaakte kosten kan bewijzen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Het College heeft bij brief van 6 november 2007 onder meer verzocht om een overzicht van de gemaakte kosten. Namens appellant heeft de curator daarop gegevens omtrent haar eigen financiële situatie, zoals uitkeringsgegevens en bankafschriften, overgelegd. Bij brief van 20 november 2007 heeft het College het verzoek verduidelijkt en tevens om een specifiek overzicht van de gemaakte bewindvoerderskosten ten behoeve van appellant verzocht. Van de zijde van de curator is daarop niet gereageerd.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat de verzochte gegevens van belang waren voor de beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand en dat de ontbrekende gegevens, ondanks de gegeven hersteltermijn verwijtbaar niet tijdig zijn aangeleverd. De Raad voegt hier, mede naar aanleiding van de beroepsgronden, aan toe dat een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om terug te komen van een eerder gevolgde gedragslijn, waarbij voor kosten ter zake van bewindvoering/curatorschap kennelijk bijzondere bijstand werd verleend zonder dat bewijsstukken van die kosten werden verlangd. Het feit dat de curator niet meer op de brief van 20 november 2007 heeft gereageerd moet voor rekening en risico van appellant worden gelaten. Dat de curator overigens zelf tijdelijk buiten staat zou zijn geweest adequaat te reageren acht de Raad onvoldoende onderbouwd. De stelling, ten slotte, dat nadien in de bezwaar- en beroepsfase nog wel enige gegevens zijn verstrekt kan appellant evenmin baten. Naar vaste rechtspraak van de Raad komt immers aan gegevens en bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt, gelet op de aard en inhoud van het primaire besluit dat strekt tot niet behandeling van de aanvraag om bijstand, geen betekenis toe.

4.4. De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat het College ingevolge artikel 4:5 van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

JJ