Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
10-4808 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard door de Svb. Onbekendheid met de Nederlandse beroepstermijnen levert geen verschoonbaarheid op van de termijnoverschrijding. Dat appellante is uitgegaan van de Peruaanse wetgeving is een verkeerde inschatting van haar kant die niet ertoe kan leiden dat het bezwaar ontvankelijk moet worden geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4808 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Peru (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2010, 09/4939 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.E.J. Coenraad hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daarbij is een aantal nadere stukken ingezonden.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011.

Appellante noch haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen J.A.J. Groenendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft de Svb de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenpensioen afgewezen, op de grond dat appellante ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot ouder was dan 65 jaar. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft de Svb aan appellante een overlijdensuitkering toegekend. Bij beslissing van 20 maart 2009 heeft het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenpensioen afgewezen op de grond dat de echtgenoot van appellante ten tijde van het aangaan van een huwelijk met appellante ouder was dan 65 jaar.

2.1. Bij een tweetal faxen gedateerd 7 april 2009 heeft appellante bezwaar ingesteld tegen de besluiten van 18 februari 2009 en 23 februari 2009. Tevens is schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 18 en 23 februari 2009 door middel van een tweetal brieven van 7 april 2009, die door de Svb is ontvangen op 14 april 2009.

2.2. Bij brieven van 2 juni 2009 heeft de Svb aan appellante laten weten dat niet-tijdig bezwaar is gemaakt tegen de besluiten van 18 en 23 februari 2009. Verzocht wordt om de reden op te geven voor de termijnoverschrijding.

2.3. Bij brief van 7 juli 2009 heeft appellante daarop geantwoord dat de Nederlandse wetgeving moeilijk toegankelijk is. Appellante is uitgegaan van de berekening van de bezwaartermijn zoals dat gebeurt in Peru. In Peru wordt gerekend met werkdagen. Een week heeft vijf werkdagen. Een termijn van 6 weken, zijnde 42 weekdagen, beslaat voor de berekening van de beroepstermijn in Peru ruim 8 weken. Zo gezien waren de bezwaarschriften derhalve ruim op tijd.

2.4. Bij een tweetal besluiten van 15 september 2009 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 18 en 23 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Opgemerkt wordt dat de bezwaartermijn afliep op respectievelijk 1 en 6 april 2009. De bezwaarschriften van 7 april 2009 zijn derhalve te laat ingediend. Ten aanzien van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding wordt opgemerkt dat de termijn voor het maken van bezwaar in de primaire besluiten duidelijk was aangegeven, terwijl tevens was aangegeven waar informatie over de bezwaarprocedure kon worden opgevraagd. Daaraan is toegevoegd dat alle informatie op de website van de Svb ook in het Spaans te raadplegen is.

3.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van 15 september 2009 dat betrekking heeft op de beslissing van 23 februari 2009. Opgemerkt wordt dat dit bezwaar eerder is verzonden dan 7 april 2009. Nu het bezwaar op 7 april 2009 per fax de Svb heeft bereikt is het bezwaar tijdig ingediend.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift vóór 7 april 2009 ter post is bezorgd. Nu de bezwaartermijn eindigde op 6 april 2009 staat daarmee vast dat het bezwaar te laat is ingediend. De rechtbank heeft de overschrijding van de bezwaartermijn niet-verschoonbaar geoordeeld. Dat appellante is uitgegaan van de Peruaanse wetgeving is een verkeerde inschatting van haar kant die niet ertoe kan leiden dat bet bezwaar ontvankelijk moet worden geoordeeld.

4.1. In hoger beroep zijn namens appellante een aantal stukken overgelegd van DHL Express, waaruit volgens de gemachtigde de tijdige verzending van het bezwaar moet blijken. Opgemerkt wordt verder dat uit de processtukken valt op te maken dat het gaat om het nabestaandenpensioen, welke beslissing dateert van 20 maart 2009, zodat het bezwaar van 7 april 2009 wel degelijk tijdig is ingediend.

4.2. De Raad overweegt als volgt.

4.3. De Raad stelt vast dat de beslissing van 20 maart 2009 een beslissing is die afkomstig is van het ABP. Zoals uit die beslissing blijkt kan appellante tegen die beslissing schriftelijk bezwaar maken bij de directieraad van het ABP. Deze beslissing is niet afkomstig van de Svb en bij de Svb kan tegen die beslissing dan ook geen bezwaar worden gemaakt. De Raad voegt daaraan toe dat het beroepschrift expliciet gericht was tegen de beslissing op bezwaar van 15 september 2009 betrekking hebbende op het primaire besluit van 23 februari 2009. Ook in zoverre slaagt de aangevoerde grond niet.

4.4. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of appellante tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 februari 2009. Met de Svb, en de rechtbank, is de Raad van oordeel dat het bezwaar niet-tijdig is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Ook naar het oordeel van de Raad heeft appellante op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig, dat wil zeggen vóór 7 april 2009, is ingediend. De in hoger beroep ingezonden stukken van DHL Express, die betrekking hebben op verzendingen uit maart 2010, hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. En verder is ook de Raad van oordeel dat onbekendheid met de Nederlandse beroepstermijnen geen verschoonbaarheid oplevert van de termijnoverschrijding.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

5. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om één van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 24 juni 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL