Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
10-4738 WAZ
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY1897
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. De Raad stelt vast dat het verzoek om herziening er in wezen op is gericht een nieuwe discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van 18 juni 2010 en dat er geen enkel nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4738 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juni 2010, 09/2116,

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 juni 2010, 09/2116, LJN BM8589.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad - oordelend op het hoger beroep van verzoeker - de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 maart 2009, 08/1081, bevestigd behoudens voor zover daarbij aan het Uwv werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2008 geheel in stand blijven, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van verzoeker in hoger beroep. De Raad heeft daarbij overwogen dat de door verzoeker aan zijn verzoek om - met toepassing van artikel 4:6 van de Awb - terug te komen van de rechtens onaantastbaar geworden besluiten van 30 september 2002 en 7 maart 2005 ten grondslag gelegde medische bescheiden onvoldoende overtuigende argumenten bevatten om het doorbreken van die besluiten te rechtvaardigen. Nu het Uwv de weigering om op die besluiten terug te komen in hoger beroep alsnog heeft voorzien van een toereikende motivering, is de Raad tot de hiervoor vermelde beslissing gekomen.

2. Verzoeker acht herziening van de uitspraak van de Raad van 18 juni 2010 aangewezen, omdat geoordeeld had moeten worden dat er sprake was van nieuwe feiten op grond waarvan de besluiten van 30 september 2002 en 7 maart 2005 niet in stand konden blijven. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat uit een op 19 juli 2010 door het Medisch Spectrum Twente vervaardigde rugscan blijkt dat bij hem sprake is van een “structurele scoliose”. Verzoeker meent ook - kort samengevat - dat eerdere zittingen niet eerlijk zijn verlopen, dat het Uwv het maatmanloon onjuist heeft berekend en dat bij de onderzoeken door de artsen van het Uwv vraagtekens kunnen worden gezet.

3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005, LJN AS3516, is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

3.2. De Raad stelt vast dat het verzoek om herziening er in wezen op is gericht een nieuwe discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van 18 juni 2010 en dat er geen enkel nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren is gebracht.

3.3. Uit de overwegingen 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

NW