Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
10-4223 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als gevolg van kortingsbesluiten en het besluit tot beëindiging van de uitkering per 1 januari 2008 staat vast dat aan appellante over de periode van 1 januari 2005 tot 1 augustus 2008 een bedrag van € 22.882,34 bruto – tegen de hoogte van het bedrag als zodanig heeft appellante geen bezwaren geuit – te veel aan WAO-uitkering is betaald. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv gehouden tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, kan het Uwv beslissen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals blijkt uit de wetgeschiedenis kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige terugvordering dergelijke onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor haar heeft. De omstandigheid dat appellante gedurende de rest van haar werkzame leven van een minimuminkomen moet zien rond te komen kan naar het oordeel van de Raad niet als een dringende reden in voormelde zin worden aangemerkt. Dit betekent dat het beroep van appellante op een dringende reden moet worden verworpen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4223 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 09/2021 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011, waar appellante in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 21 december 1999 is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) toegekend. Naar aanleiding van een opgave van haar inkomsten heeft het Uwv de betaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 september 2008 geschorst. Vervolgens heeft het Uwv in oktober 2008 door middel van vijftal afzonderlijke besluiten de WAO-uitkering van appellante over de jaren 2005, 2006 en 2007 gekort. Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2008 beëindigd omdat zij met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Tegen de kortingsbesluiten en het besluit de uitkering met ingang van 1 januari 2008 te beëindigen, heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend zodat deze besluiten in rechte zijn komen vast te staan.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 augustus 2008 een bedrag van € 22.882,34 (bruto uitkering) te veel heeft ontvangen en dat dit bedrag wegens onverschuldigde betaling van haar wordt teruggevorderd.

2. Het door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 1 april 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft geen dringende reden aanwezig geacht om van terugvordering af te zien.

3.1. In beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij sinds 2004 geen inkomstenformulieren van het Uwv heeft ontvangen en dat zij als gevolg van deze nalatigheid van het Uwv met een enorme schuld zit opgezadeld. De financiële gevolgen van de terugvordering zijn desastreus voor haar en zij zal de komende jaren van een minimumuitkering moeten zien rond te komen.

3.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat onverschuldigd is betaald aan appellante. Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellante op een dringende reden in de zin van artikel 57, vierde lid, van de WAO, verworpen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de omstandigheid dat appellante enige jaren van een minimuminkomen moet rondkomen niet kan worden aangemerkt als een dringende reden in de zin van dit artikellid. De rechtbank heeft het beroep van appellante dan ook ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante haar beroep op een dringende reden herhaald. Zij heeft gesteld dat het niet gaat, zoals de rechtbank heeft overwogen, om een aantal jaren waarin zij moet rondkomen van een minimuminkomen, maar om de rest van haar werkzame leven. Zij is inmiddels 59 jaar en zal derhalve als gevolg van een fout van het Uwv op geen enkele wijze meer in staat zijn om maatregelen te treffen voor het aanvullen van haar toekomstige AOW-inkomen. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij in financieel opzicht niets meer kan betekenen voor haar twee kinderen, waarvan de jongste kampt met medische problemen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Als gevolg van de voormelde kortingsbesluiten en het besluit tot beëindiging van de uitkering per 1 januari 2008 staat vast dat aan appellante over de periode van 1 januari 2005 tot 1 augustus 2008 een bedrag van € 22.882,34 bruto – tegen de hoogte van het bedrag als zodanig heeft appellante geen bezwaren geuit – te veel aan WAO-uitkering is betaald. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv gehouden tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, kan het Uwv beslissen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals blijkt uit de wetgeschiedenis kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige terugvordering dergelijke onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor haar heeft. De omstandigheid dat appellante gedurende de rest van haar werkzame leven van een minimuminkomen moet zien rond te komen kan naar het oordeel van de Raad niet als een dringende reden in voormelde zin worden aangemerkt. Dit betekent dat het beroep van appellante op een dringende reden moet worden verworpen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK