Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
09-2405 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen. Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden aan appellante niet eerder dan met ingang van november 2006 een AOW-pensioen heeft toegekend. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door appellante aangevoerde redenen waarom zij eerst in november 2007 een aanvraag om een AOW-pensioen heeft ingediend niet aangemerkt kunnen worden als een bijzonder geval. Ook de Raad is niet gebleken dat appellante vanwege haar medische toestand niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen dan wel een aanvraag in te laten dienen. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat appellante in het kader van de procedure omtrent de verblijfsvergunning ook in staat is geweest haar belangen te behartigen en juridische bijstand in te schakelen. Vanwege deze juridische bijstand acht de Raad de eventuele onbekendheid van appellante met het recht op pensioen ook niet verschoonbaar.

Voorts overweegt de Raad dat het niet in bezit zijn van een verblijfsvergunning geen belemmering behoeft te vormen om een AOW-pensioen aan te vragen. De omstandigheid dat zij heeft gewacht tot zij een verblijfsvergunning had, komt naar het oordeel van de Raad dan ook voor haar rekening en heeft de Raad evenmin kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een bijzonder geval in voormelde zin. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de Svb terecht aan appellante eerst met ingang van november 2006 een AOW-pensioen heeft toegekend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2405 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 maart 2009, 08/2948 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Kiliç-?ahin, advocaat te Lent, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011, waar namens appellante is verschenen mr. Kiliç-?ahin. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is in april 1997 in Nederland komen wonen. Zij was toen 67 jaar oud. Op 25 oktober 2007 heeft zij een verblijfsvergunning gekregen. Vervolgens heeft zij op 8 november 2007 de Svb verzocht in aanmerking te komen voor een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 13 december 2007 heeft de Svb haar met ingang van november 2006 een AOW-pensioen voor een alleenstaande toegekend.

2.1. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij is van mening dat er in haar situatie sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW en dat zij in aanmerking dient te komen voor een AOW-pensioen met een verdere terugwerkende kracht dan tot november 2006. Ter onderbouwing van haar standpunt dat er in haar geval sprake is van een bijzonder geval heeft zij naar voren gebracht dat zij ruim 10 jaar geleden, toen zij ernstig ziek was en er in Turkije geen familieleden waren die haar konden verzorgen, door haar zoon naar Nederland is gehaald. Na aankomst in Nederland heeft zij vervolgens 10 jaar geprocedeerd om in aanmerking te komen voor een rechtmatige verblijfstatus. Pas op 25 oktober 2007 heeft zij uiteindelijk een verblijfsvergunning op medische gronden verkregen. Aangezien zij voor die tijd geen verblijfsvergunning had, heeft zij niet eerder een AOW-aanvraag ingediend. Voor die tijd was zij immers niet officieel woonachtig in Nederland en had zij ook geen recht op een AOW-pensioen. Overigens was zij ook niet op de hoogte van het bestaan van de AOW. Naar de mening van appellante kan haar dan ook niet worden verweten dat zij niet eerder een aanvraag heeft ingediend. Voorts heeft zij, onder verwijzing naar het door de Svb ontwikkelde hardheidsbeleid, erop gewezen dat er in haar geval sprake is van kennelijke hardheid. Zij heeft schade geleden omdat zij in de periode voorafgaande aan 25 oktober 2007 een inkomen heeft gehad dat onder de voor haar geldende minimumnorm lag.

2.2. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat in bijzondere gevallen waarin de AOW-aanvraag meer dan een jaar te laat is ingediend het desbetreffende pensioen met een terugwerkende van meer dan een jaar kan worden toegekend. Een dergelijk bijzonder geval heeft de Svb echter niet aanwezig geacht.

3.1. In beroep heeft appellante de in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij ook vanwege haar gezondheidssituatie niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen.

3.2. Het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden aan appellante niet eerder dan met ingang van november 2006 een AOW-pensioen heeft toegekend.

5.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AOW gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand, waarin belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond. De Svb kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.

5.4. Volgens het in de jurisprudentie aanvaarde beleid van de Svb is er sprake van een bijzonder geval:

-indien belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen;

-indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen en deze onbekendheid verschoonbaar was.

5.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door appellante aangevoerde redenen waarom zij eerst in november 2007 een aanvraag om een AOW-pensioen heeft ingediend niet aangemerkt kunnen worden als een bijzonder geval. Ook de Raad is niet gebleken dat appellante vanwege haar medische toestand niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen dan wel een aanvraag in te laten dienen. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat appellante in het kader van de procedure omtrent de verblijfsvergunning ook in staat is geweest haar belangen te behartigen en juridische bijstand in te schakelen. Vanwege deze juridische bijstand acht de Raad de eventuele onbekendheid van appellante met het recht op pensioen ook niet verschoonbaar.

Voorts overweegt de Raad dat het niet in bezit zijn van een verblijfsvergunning geen belemmering behoeft te vormen om een AOW-pensioen aan te vragen. De omstandigheid dat zij heeft gewacht tot zij een verblijfsvergunning had, komt naar het oordeel van de Raad dan ook voor haar rekening en heeft de Raad evenmin kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een bijzonder geval in voormelde zin.

5.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de Svb terecht aan appellante eerst met ingang van november 2006 een AOW-pensioen heeft toegekend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK