Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9493

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
10-5050 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de belastbaarheid van betrokkene in de periode 2006 tot 2009 achteruitgang vertoont. Op cardiologisch gebied acht hij de FML per data in geding niet onjuist. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML. De rechtbank heeft ten onrechte het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig geacht. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene met de voor hem toepassing geachte beperkingen op de data in geding niet in staat was de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Uitlooptermijn niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5050 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 augustus 2010, 08/6452 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

H. Imajni, wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van betrokkene in een schrijven van 18 februari 2011 gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene ontving sinds 22 maart 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband met volledige hervatting van zijn werkzaamheden als leraar Arabisch vanaf 30 maart 1999, werd de arbeidsongeschiktheidsuitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO niet langer uitbetaald. Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 18 november 2002 ingetrokken, onder de overweging dat betrokkene in staat wordt geacht zijn eigen werk te verrichten.

1.2. Op 18 februari 2006 heeft betrokkene het Uwv verzocht om hernieuwde toekenning van WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Dit verzoek is, in verband met uitval op 8 juni 2004, aangemerkt als een (verlate) Amber aanvraag. De verzekeringsgeneeskundige J.H. Logger heeft in zijn rapportages van 21 juni 2006 en

15 november 2006 geconcludeerd dat ten opzichte van de beoordeling in 2004 sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak in verband met hartproblematiek en psychische problematiek. De verzekeringsarts heeft de toegenomen beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 november 2006. Betrokkene werd op basis van de vastgestelde belastbaarheid geschikt geacht voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies per 6 juli 2004 en per 1 maart 2006.

1.3. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het Uwv, met inachtneming van een wachttijd van vier weken, weer WAO-uitkering aan betrokkene toegekend met ingang van 6 juli 2004 op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van eveneens 4 juli 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 1 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4. In bezwaar is betrokkene op 15 april 2008 onderzocht door bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Betrokkene heeft per 15 maart 2006 toenemende cardiale klachten aangegeven, resulterende in een ziekenhuisopname van 20 maart 2006 tot 30 maart 2006, waarbij bij catheterisatie afwijkingen werden gevonden. Kort nadien was de toestand van betrokkene onder medicatie genormaliseerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij de beoordeling informatie betrokken afkomstig van cardioloog dr. J.H.M. Schreur van het Medisch Centrum Haaglanden van 23 maart 2006.

Ten aanzien van de klachten van de lies heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat uit het overgelegde journaal van de huisarts van 25 januari 2008 blijkt dat betrokkene al sinds 2000 bekend is met een liesbreuk links, waarvoor hij is verwezen naar een chirurg, maar geen behandeling is gevolgd. De aangegeven rugproblematiek kon niet worden bevestigd door de huisarts. Ten aanzien van de diabetes heeft betrokkene geen nieuwe aspecten naar voren gebracht die aanleiding geven voor het stellen van extra beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene niet belastbaar geacht gedurende de periode 15 maart 2006 tot 15 juni 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de FML aangepast op 22 april 2008.

1.5. Aan de hand van deze aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en aan aantal geduide functies laten vervallen. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige betrokkene geschikt geacht voor werkzaamheden verbonden aan de geselecteerde functies die in het verlengde liggen van de eerder geduide functies. Het verlies aan verdiencapaciteit werd door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 7 juli 2008 per 6 juli 2004 berekend op 59% en per 15 juni 2006 op 53%. Gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts werd betrokkene vanaf vier weken na 15 maart 2006 tot 15 juni 2006 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd.

1.6. Bij besluit van 24 juli 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en is aan betrokkene met ingang van 6 juli 2004 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Vanaf 4 weken na 15 maart 2006 is betrokkene voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd en vanaf 15 juni 2006 is de mate van arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% gesteld.

1.7. In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat het Uwv de beperkingen die uit zijn lichamelijke en psychische klachten voortvloeien onvoldoende heeft onderkend. Betrokkene is van mening dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn cardiale toestand, psychische toestand, diabetes en rugklachten. Betrokkene acht zich niet in staat de geduide functies te vervullen. Ten slotte heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat per 15 juni 2006 een nieuwe functie is geduid waarvoor een uitlooptermijn in acht had moet worden genomen.

1.8. Appellant heeft een verweerschrift ingediend.

2.1. De rechtbank heeft in de beschikbare gedingstukken en het verhandelde ter zitting aanleiding gezien cardioloog dr. C.J.H.J. Kirchhof als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft betrokkene onderzocht en kennis genomen van de in dit geding beschikbare medische gegevens. In zijn rapport van 14 oktober 2009 heeft Kirchhof gesteld dat de in de laatste jaren geleidelijk toegenomen lichamelijke beperkingen van betrokkene kunnen worden toegeschreven aan het langzaam voortschrijdend karakter van zijn twee belangrijkste aandoeningen, ten eerste een ernstig gegeneraliseerd kransslagader lijden met hierdoor steeds frequenter optredende klachten van pijn op de borst en toenemende kans op recidief hartinfarct en ten tweede diabetes mellitus met secundaire orgaanschade in het verschiet. De deskundige heeft gesteld dat een onderzoek door een chirurg naar de onbehandelde liesbreuk een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren, en dat een onderzoek door een psychiater eveneens opportuun is gezien het depressieve stemmingsbeeld. Desgevraagd heeft Kirchhof in een schrijven van 18 januari 2010 aangegeven dat de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Van Duijn gerechtvaardigd lijkt dat de situatie in 2009 niet representatief geacht kan worden voor de status in 2006 en dat een achteruitgang in validiteit van betrokkene gedurende genoemde periode aannemelijk is. In zijn schrijven van 17 mei 2010 heeft Kirchhof desgevraagd aangegeven dat hij de constatering dat de belastbaarheid van betrokkene in de periode 2006 tot 2009 een -zij het beperkte- achteruitgang vertoont, onderschrijft. Daarbij heeft hij benadrukt dat betrokkene na de data in geding twee maal een acuut coronair syndroom doormaakte in 2006 en 2007 waarvan de laatste gepaard ging met de noodzaak tot het plaatsen van een intracoronair stent. Deze medisch geobjectiveerde achteruitgang van de cardiale status van betrokkene alsmede de hieraan verbonden achteruitgang in validiteit maken het zeer onwaarschijnlijk dat de huidige klachten en beperkingen de data in geding betreffen.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen en beslissingen gegeven met betrekking tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij het ervoor houdt dat de deskundige tot uitdrukking heeft willen brengen dat hij op cardiologisch gebied geen aanleiding heeft gezien de FML per data in geding (6 juli 2004 en 15 juni 2006) aan te passen en dat hij deze FML niet onjuist acht. Evenwel heeft de deskundige ook verklaard dat het gelet op de klachten van de lies en de psychische klachten van belang is te achten dat nader onderzoek gedaan wordt door een chirurg en een psychiater om de beperkingen van betrokkene en de beoordeling van de juistheid van de FML nader vast te stellen. Nu appellant op die onderdelen zelf geen uitvoerig onderzoek heeft verricht, acht de rechtbank het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank, ondanks het gegeven dat de door de rechtbank benoemde deskundige het eens was met de door appellant vastgestelde klachten en beperkingen, ten onrechte het door het Uwv verricht onderzoek als onzorgvuldig heeft bestempeld. Appellant heeft verwezen naar het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar de liesbreuk en de psychische klachten van betrokkene.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van onzorgvuldig onderzoek van de zijde van het Uwv ten aanzien van de klachten van de lies en de psychische klachten. Genoemde klachten van betrokkene waren reeds bekend ten tijde van het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts en zijn door de verzekeringsartsen beoordeeld, waarbij de Raad aantekent dat informatie van de huisarts en van de behandelende sector, waaronder het schrijven van PsyQ van 21 januari 2008, is meegewogen.Met betrekking tot de psychische klachten zijn (in verband met een matige stemmingsstoornis) beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Met betrekking tot de klachten van de lies heeft bezwaarverzekeringsarts Van Duijn, na lichamelijk onderzoek, in de FML van 22 april 2008 beperkingen aangenomen ten aanzien van buikdruk verhogende aspecten als gebogen activiteiten, zwaar tillen en frequent buigen. In zijn nadere rapportage van 6 september 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts Van Duijn nogmaals aangegeven dat de toestand rond de liesbreuk is onderzocht en dat daarbij rekening is gehouden met de belastbaarheid. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de informatie van de behandelaars een duidelijke lijn geeft, waarbij sprake is van een chronisch matig depressief beeld waarbij betrokkene zich passief opstelde.

De Raad ziet met appellant geen aanleiding om de suggestie van de deskundige te volgen dat een nader onderzoek dient plaats te vinden door een chirurg en een psychiater.

4.3. De Raad overweegt voorts dat deskundige Kirchhof het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals weergegeven in de rapportage van 30 november 2009, onderschrijft dat de belastbaarheid van betrokkene in de periode 2006 tot 2009 achteruitgang vertoont. Blijkens zijn brief van 20 mei 2010 acht de deskundige op cardiologisch gebied de FML per data in geding niet onjuist.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt dat de Raad van geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de in de FML van 22 april 2008 voor betrokkene vastgestelde beperkingen.

4.5. In de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen ziet de Raad voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene met de voor hem toepassing geachte beperkingen op de data in geding niet in staat was de voor hem geselecteerde functies te vervullen.

Ten aanzien van de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 15 juni 2006 is een uitlooptermijn niet vereist, aangezien er geen sprake is van een situatie waarbij betrokkene zich in het kader van een aangezegde verlaging van een lopende uitkering heeft moeten instellen op voor hem geselecteerde arbeidsmogelijkheden.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR