Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9471

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
10-3319 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft, in reactie op een melding van appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 30 juni 2004, geweigerd de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die was ingetrokken per 29 juni 2004, te heropenen op de grond dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. De Raad overweegt dat hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht uitsluitend een herhaling is van de in eerdere fasen van de procedure reeds naar voren gebrachte gronden. De door hem staande gehouden opvatting inzake zijn gezondheidssituatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen in het tijdvak hier van belang - onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad dat het Uwv niet alleen over de datum 30 juni 2004 maar ook over de periode daarna heeft beslist - heeft appellant niet nader met medische gegevens onderbouwd. Gelet hierop volstaat de Raad met een verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld. Naar aanleiding van het namens appellant gedane herhaalde beroep op het advies van Aob Compaz, voegt de Raad daaraan nog slechts toe dat hij zich kan vinden in de beschouwingen daarover van bezwaarverzekeringsarts P. Eken bij rapport van 6 mei 2010. Eken heeft daarin op overtuigende wijze uiteengezet dat en waarom met betrekking tot het hier ter beoordeling voorliggende tijdvak meer betekenis dient te worden gehecht aan de visie van psychiater Koerselman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3319 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2010, 09/2361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Voor appellant is verschenen mr. Maats. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 april 2009, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 28 november 2008. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv, in reactie op een melding van appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 30 juni 2004, geweigerd de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die was ingetrokken per 29 juni 2004, te heropenen op de grond dat geen sprake is van toegenomen beperkingen.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, na te hebben overwogen dat het geschil zich toespitst op de psychische klachten van appellant, in het bijzonder betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van psychiater

prof. dr. G.F. Koerselman. Deze psychiater had appellant in een eerdere procedure, betreffende het besluit tot evenvermelde intrekking van appellants WAO-uitkering met ingang van 29 juni 2004, op verzoek van de rechtbank op 29 mei 2007 als deskundige onderzocht en daarover verslag uitgebracht bij rapport van 15 juni 2007 en aanvullend rapport van 20 november 2007.

2.2. Psychiater Koerselman was daarbij tot de conclusie gekomen dat bij appellant op 29 juni 2004 weliswaar sprake was van een aanpassingsstoornis met gevoelens van angst en somberheid, maar dat er geen aanknopingspunten zijn voor de veronderstelling dat deze zodanig ernstig was dat hij daardoor beperkingen ondervond in zijn persoonlijk en sociaal functioneren.

2.3. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat appellant naar aanleiding van een ziekmelding per 20 juli 2004 in oktober 2004 was gezien door een verzekeringsarts van de afdeling Ziektewet, die appellant geschikt heeft bevonden voor het eigen werk.

2.4. Met betrekking tot het van de zijde van appellant overgelegde rapport van Aob Compaz van 8 juni 2007, waarin is geconcludeerd dat appellant in verband met de behandeling die hij ondergaat bij GGZ Buiten Amstel tijdelijk arbeidsongeschikt is, heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het onderzoek door de psycholoog van

Aob Compaz summier is geweest en er geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd.

2.5. De rechtbank heeft - ten slotte - overwogen dat de rapportage van Koerselman niet wijst op relevante medische ontwikkelingen na 30 juni 2004 en heeft geoordeeld dat de medische situatie van appellant niet alleen ten aanzien van de datum 30 juni 2004 maar ook voor de periode daarna door het Uwv juist is vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische beperkingen. Bovendien is sprake van relevante ontwikkelingen, die ertoe leiden dat hij toegenomen arbeidsongeschikt is.

4. De Raad overweegt dat hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht uitsluitend een herhaling is van de in eerdere fasen van de procedure reeds naar voren gebrachte gronden. De door hem staande gehouden opvatting inzake zijn gezondheidssituatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen in het tijdvak hier van belang - onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad dat het Uwv niet alleen over de datum 30 juni 2004 maar ook over de periode daarna heeft beslist - heeft appellant niet nader met medische gegevens onderbouwd. Gelet hierop volstaat de Raad met een verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld. Naar aanleiding van het namens appellant gedane herhaalde beroep op het advies van Aob Compaz, voegt de Raad daaraan nog slechts toe dat hij zich kan vinden in de beschouwingen daarover van bezwaarverzekeringsarts P. Eken bij rapport van 6 mei 2010. Eken heeft daarin op overtuigende wijze uiteengezet dat en waarom met betrekking tot het hier ter beoordeling voorliggende tijdvak meer betekenis dient te worden gehecht aan de visie van psychiater Koerselman.

5. Uit het overwogene onder 4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK