Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
10-3797 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning wajong-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55. De Raad heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Voorts ziet de Raad, evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellante belastbaar wordt geacht, terwijl de behandelend psychotherapeut, zo stelt appellante, haar niet belastbaar vindt met arbeid. In artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is, voorzover hier van belang, bepaald dat benutbare mogelijkheden alleen dan niet aanwezig zijn indien (d.) betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directie samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is. Dat hiervan sprake is, is niet aan de hand van deze criteria gesteld, noch gebleken. De conclusie van de psychotherapeut dat functioneren in een dagbesteding nog niet mogelijk is, is niet onderbouwd. Uit het verslag van het psychiatrisch jeugdonderzoek van 21 oktober 2008 blijkt dat appellante heeft gewerkt maar haar werkzaamheden heeft gestaakt om onderwijs te gaan volgen. Het onderwijs heeft zij vervolgens gestaakt omdat zij de opleiding niet leuk vond. Ten tijde van het onderzoek had zij weer een baan verworven. Verder blijkt dat de psychische functies niet gestoord zijn, wel is er sprake van een depressief gekleurde stemming, van angsten en afweermechanismen. De agressieregulatie, impulscontrole en frustratietolerantie zijn zwak ontwikkeld. De bezwaarverzekeringsarts kon op grond van deze informatie tot de conclusie komen dat geen sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op micro-, meso- en macroniveau. De bezwaarverzekeringsarts wijst er naar het oordeel van de Raad terecht op dat de diagnose reeds bekend was en dat voorts de bevindingen van de psycholoog zien op de situatie meer dan een jaar na de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3797 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 26 mei 2010, 09/7227 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Ensing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere (medische) stukken overgelegd waarop door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv is gereageerd in een rapport van 16 november 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Ensing. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellante, geboren [in] 1991, heeft een uitkering ingevolge de Wajong aangevraagd. Bij besluit van 14 april 2009 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 2 september 2009 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en aan appellante met ingang van 15 februari 2009 een uitkering ingevolge de Wajong toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55. Het besluit op bezwaar van 2 september 2009 berust op het standpunt dat appellante op 15 februari 2009 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid – welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juli 2009 – maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van deze drie functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wajong op 15 februari 2009 van 45 tot 55%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 2 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze het oordeel van de behandelend psychotherapeut, neergelegd in de brief van 22 juni 2009, dat zij niet belastbaar is met arbeid, niet volgt. Appellante beroept zich tevens op het oordeel van haar huidige behandelaar, die eveneens van mening zou zijn dat zij niet kan werken. Ter onderbouwing van het laatste punt heeft appellante een brief van 16 september 2010 overgelegd van de dan behandelend psycholoog. De rechtbank had een deskundige moeten benoemen en appellante verzoekt thans de Raad een deskundige te benoemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Voorts ziet de Raad, evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.2. Appellante is naar aanleiding van haar aanvraag van een uitkering ingevolge de Wajong door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht op 24 februari 2009. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 februari 2009. Op grond hiervan komt de verzekeringsarts tot de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene is aangewezen op redelijk gestructureerd werk waarbij niet te veel gelijktijdig op haar afkomt en waarbij geen hoge eisen aan sociale interactie/sociale vaardigheden worden gesteld. Op grond van deze bevindingen is een FML van 4 maart 2009 opgesteld.

4.3. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante gezien tijdens de hoorzitting op 22 juni 2009 en heeft deze op 27 juli 2009 gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van een brief van 22 juni 2009 van de behandelend psychotherapeut, die stelt dat nog niet gesproken kan worden van dusdanig herstel, dat functioneren in een dagbesteding mogelijk is. In een brief van 30 juni 2009 heeft de behandelend psychotherapeut de diagnose posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), primaire insomnia in remissie, ouder-kind relatieprobleem en een borderline persoonlijkheidsstoornis gesteld. De behandelend psychotherapeut heeft tevens gemeld dat appellante in augustus 2009 gaat starten met een intensieve behandeling. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts kennis genomen van het door appellante verstrekte verslag van 21 oktober 2008 van een jeugdpsychiatrisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts voegt op grond van deze informatie de diagnose PTSS toe aan de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat geen volledige arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen omdat geen sprake is van een uitzonderingscategorie zoals bedoeld in het (aangepast) Schattingsbesluit. Zo is er onder meer geen sprake van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op micro-, meso- en macroniveau. De bezwaarverzekeringsarts heeft in verband met preventie en de intensieve behandeling aanleiding gezien voor de duur van een jaar een urenbeperking toe te kennen van 20 uur per week. Weliswaar start de intensieve behandeling enkele maanden na het einde van de wachttijd maar om praktische redenen wordt de urenbeperking eerder aangenomen. Op grond van deze bevindingen is op 27 juli 2009 een FML opgesteld met beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden.

4.4. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellante belastbaar wordt geacht, terwijl de behandelend psychotherapeut, zo stelt appellante, haar niet belastbaar vindt met arbeid. In artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is, voorzover hier van belang, bepaald dat benutbare mogelijkheden alleen dan niet aanwezig zijn indien (d.) betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directie samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is. Dat hiervan sprake is, is niet aan de hand van deze criteria gesteld, noch gebleken. De conclusie van de psychotherapeut dat functioneren in een dagbesteding nog niet mogelijk is, is niet onderbouwd. Uit het verslag van het psychiatrisch jeugdonderzoek van 21 oktober 2008 blijkt dat appellante heeft gewerkt maar haar werkzaamheden heeft gestaakt om onderwijs te gaan volgen. Het onderwijs heeft zij vervolgens gestaakt omdat zij de opleiding niet leuk vond. Ten tijde van het onderzoek had zij weer een baan verworven. Verder blijkt dat de psychische functies niet gestoord zijn, wel is er sprake van een depressief gekleurde stemming, van angsten en afweermechanismen. De agressieregulatie, impulscontrole en frustratietolerantie zijn zwak ontwikkeld. De bezwaarverzekeringsarts kon op grond van deze informatie tot de conclusie komen dat geen sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op micro-, meso- en macroniveau.

4.5. De in hoger beroep overgelegde brief van de behandelend psycholoog van 16 september 2010 kan daar niet aan afdoen. Uit de brief blijkt dat appellante sinds februari 2010 onder behandeling is bij Scelta vanwege borderline persoonlijkheidsproblematiek en symptomen van PTSS. De psycholoog stelt niet, anders dan appellante betoogt, dat zij niet belastbaar is met arbeid doch dat de klachten een forse beperking vormen in het alledaags functioneren en dat de behandeling langdurig en intensief is en veel inzet en energie vergt. De bezwaarverzekeringsarts wijst er naar het oordeel van de Raad terecht op dat de diagnose reeds bekend was en dat voorts de bevindingen van de psycholoog zien op de situatie meer dan een jaar na de datum in geding.

4.6. In hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige voor het instellen van een psychiatrisch onderzoek.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) R.L. Venneman.

NW