Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
10/3295 WIA en 10/3296 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Terugvordering betaalde voorschotten. De Raad heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Voorts ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3295 WIA en 10/3296 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2010, 09/1903 en 10/1965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ch. W.A. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere (medische) stukken overgelegd waarop door de bezwaarverzekeringsarts is gereageerd in rapporten van 14 september 2010 en van 19 april 2011. Daarna heeft appellant nogmaals (medische) stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dam en zijn echtgenote E.M. [B.] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadour.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 19 juli 2004 uitgevallen voor zijn werk als schoonmaker voor 35 uur per week met arm- en schouderklachten. Bij besluit op bezwaar van 2 juli 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de weigering aan appellant met ingang van 17 juli 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) toe te kennen, ongegrond verklaard omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij afzonderlijk besluit op bezwaar van 2 juli 2007 heeft het Uwv de bezwaren tegen de terugvordering van de reeds aan appellant betaalde voorschotten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 oktober 2008 heeft de rechtbank de beroepen tegen beide besluiten gegrond verklaard en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 21 april 2009, genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2008, heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de weigering een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen alsmede tegen de terugvordering van de betaalde voorschotten alsnog ongegrond verklaard. Het besluit op bezwaar van 21 april 2009 berust op het standpunt dat appellant op 17 juli 2006 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid – welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 februari 2009 – maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van deze drie functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA op 17 juli 2006 van minder dan 35%. Bij besluit op bezwaar van 17 september 2009 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de invordering van € 38,43 per maand ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen tegen de besluiten van 21 april 2009 en 17 september 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat appellant weliswaar medische informatie heeft overgelegd die wijst op ernstige medische problematiek maar die informatie maakt niet aannemelijk dat daar op 17 juli 2006 reeds sprake van was. Tegen de invordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat in de periode van 17 juli 2006 tot en met 30 november 2006 en in de jaren daarvoor sprake was van ernstige psychiatrische problematiek en dat hij niet in staat was tot het verrichten van arbeid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant (medische) stukken overgelegd en een besluit van het Uwv tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA naar een percentage van 80 tot 100 per 1 augustus 2008. Omdat appellant volledig arbeidsongeschikt was op

17 juli 2006, is hij van mening dat hij het voorschot niet hoeft terug te betalen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Voorts ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.2. Appellant is naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge Wet Wia door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht op 24 april 2006. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 juli 2006. Uit de gedingstukken blijkt dat, wat betreft de psychische klachten, onder meer kennis is genomen van de brieven van de behandelend psychiater van 6 december 2004 en van 31 januari 2006. De brief van 6 december 2004 maakt melding van een paniekstoornis zonder agorafobie en een depressieve stoornis, eenmalige episode. Uit de brief van 31 januari 2006 blijkt dat appellant poliklinisch onder behandeling is geweest voor een specifieke fobie – angst voor een operatie, in het bijzonder de operatie aan zijn linkersleutelbeen – en dat de behandeling is afgesloten. Uit een brief van de huisarts van 14 februari 2006 blijkt dat deze op zoek is naar een gedragstherapeut voor appellant. Voorts is kennis genomen van een deel van het huisartsenjournaal waarin op 21 april 2006 wordt gemeld dat de depressieve symptomen toenemen en op 26 april 2006 wordt gemeld dat appellant is verwezen naar een instelling van de geestelijke gezondheidszorg. Op grond hiervan komt de verzekeringsarts wat betreft de psychische klachten tot de diagnose depressieve episode.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 26 juni 2007 gerapporteerd en heeft, naast van het rapport van de verzekeringsarts van 26 juli 2006, kennis genomen van een brief van 23 mei 2007 van de behandelend psycholoog die dan vijf gesprekken heeft gehad met appellant en de diagnose specifieke fobie en een eenmalige secundaire depressieve stoornis stelt. De bezwaarverzekeringsarts neemt de diagnose specifieke fobie over naast de diagnose depressieve episode.

4.4. Appellant is ter voorbereiding van het besluit op bezwaar van 21 april 2009, door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv onderzocht op 18 februari 2009. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2009 en van 8 april 2009. Bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant heeft deze bezwaarverzekeringsarts acht geslagen op de in 4.2 en 4.3 vermelde informatie en is eveneens uitgegaan van de diagnose depressieve episode en specifieke fobie. In de FML van 18 februari 2009 zijn in de rubriek persoonlijk functioneren de beperkingen opgenomen dat appellant is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, zonder veelvuldige deadlines en productiepieken en zonder verhoogd persoonlijk risico.

4.5. Ten aanzien van de stelling van appellant dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat overweegt de Raad als volgt. In januari 2006 is de behandeling van appellant beëindigd. Eerst op 1 mei 2007 heeft appellant een behandelovereenkomst gesloten tot het ondergaan van een cognitieve therapie teneinde de operatie aan zijn sleutelbeen te kunnen ondergaan. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat op 17 juli 2006 sprake is geweest van meer beperkingen dan in de FML van 18 februari 2009 zijn opgenomen.

Met de bezwaarverzekeringsarts in het aanvullend rapport van 14 september 2010 is de Raad van oordeel dat de in hoger beroep overgelegde verklaring van de psychiater van 15 juni 2010 hier niet aan kan afdoen omdat die ziet op de psychische toestand van appellant in 2009 en 2010, dus ver na de datum in geding. De overgelegde brief van de huisarts van 4 juni 2010 werpt evenmin nieuw licht op de zaak. De huisarts heeft gemeld dat in 2006 de depressieve klachten zijn toegenomen. Terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat de verzekeringsarts reeds in het rapport van 26 juli 2006 een depressieve episode heeft aangenomen en op grond daarvan beperkingen aan het functioneren heeft gesteld.

4.6. De door appellant overgelegde beslissing van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2010 op grond van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen en de daaraan ten grondslag liggende stukken, kunnen naar het oordeel van de Raad niet afdoen aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen en het daarop gebaseerde besluit van 21 april 2009. De Raad is met de bezwaarverzekeringsarts in de aanvullende rapportage van 19 april 2011 van oordeel dat deze stukken zien op de psychische toestand van appellant op een moment na de datum in geding en om die reden niet van belang zijn voor de onderhavige beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Hetzelfde geldt voor de verklaring van 8 april 2010 van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis dat appellant op 17 maart 2010 is opgenomen op de psychiatrische afdeling, zoals ook de rechtbank reeds heeft overwogen.

4.7. Met betrekking tot de brief van de huisarts van 19 april 2011 met de melding dat appellant “vanaf 2006 intensief psychiatrische begeleiding” heeft gekregen, overweegt de Raad dat de gedingstukken, en in het bijzonder het huisartsenjournaal van de huisarts zelf, geen steun bieden voor de stelling dat appellant op de datum in geding onder behandeling was en meer klachten had dan reeds zijn aangenomen door de (bezwaar)verzekeringsartsen.

4.8. Op grond van hetgeen is overwegen in 4.1 tot en met 4.7 wijst de Raad het verzoek tot het benoemen van een deskundige af.

4.9. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover het beroep tegen het besluit van 21 april 2009 ongegrond wordt verklaard.

4.10. Appellant heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen het besluit op bezwaar van 17 september 2009 met betrekking tot invordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG