Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
10-2935 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in verband met de kosten van een verhuizing, de eerste maand huur van de nieuwe woning, borg en administratiekosten, verhuiskosten en inrichtingskosten. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellante geen enkele gelegenheid heeft gehad om voorafgaand aan het tekenen van het huurcontract en het betalen van de kosten op 12 juni 2008 een (voorlopige) aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen. Nu appellante de kosten voor de eerste maand huur en de daarbij komende kosten zelf heeft gefinancierd door geld te lenen bij haar moeder, gaat de Raad er, evenals de rechtbank, van uit dat de aanvraag om bijstand voor deze kosten betrekking heeft op de aflossing van een schuld. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onderdeel b, van de WWB. Volgens het College is de noodzaak van de verhuizing niet komen vast te staan en was er daarom geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het College heeft daarom de aanvraag om bijzondere bijstand voor de verhuiskosten afgewezen. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de gemeente Amsterdam geen schuldhulpverlening zou kunnen krijgen en dat verhuizing de enige mogelijke oplossing was. Uit de gedingstukken blijkt niet dat schuldhulpverleningsinstanties in Amsterdam stelselmatig hebben geweigerd om appellante bij te staan. Bij het verweerschrift in hoger beroep heeft het College een rapportage van de DWI van 11 juli 2008 ingezonden. Uit die rapportage, behorend bij de aanvraag om bijzondere bijstand, blijkt dat appellante met betrekking tot een huurschuld een aflossingsregeling had getroffen met schuldhulpverlener stichting Doras. Nu appellante haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, kan in het midden blijven of de gestelde feiten voor de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand moeten leiden tot de conclusie dat de verhuizing noodzakelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2935 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2010, 09/5516 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met nrs. 09/2962 WWB, 09/2963 WWB en 09/2965 WWB, plaatsgevonden op 19 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Hoebba. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberding, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. In de zaken 09/2962 WWB en 09/2963 WWB samen en voorts 09/2965 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 16 juni 2009 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in verband met de kosten van haar verhuizing van Amsterdam naar [plaatsnaam]. Het gaat daarbij om de eerste maand huur van de nieuwe woning, borg en administratiekosten, verhuiskosten en inrichtingskosten.

1.2. Bij besluit van 13 juli 2009 heeft het College de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante de kosten voor de eerste maand huur met de bijkomende kosten zelf al heeft voldaan voorafgaand aan de aanvraag, zodat voor verlening van bijzondere bijstand voor die kosten in beginsel geen plaats is. Het College is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op die regel rechtvaardigen. Als appellante, zoals zij in haar bezwaarschrift heeft vermeld, een schuld is aangegaan om de kosten te kunnen betalen kan evenmin bijstand worden verleend. Voor een schuld kan geen bijzondere bijstand worden verleend. Er is naar het oordeel van het College niet gebleken van zeer dringende redenen die bijzondere bijstandsverlening in afwijking daarvan zouden kunnen rechtvaardigen. Ook ten aanzien van de verhuiskosten heeft het College overwogen dat het gaat om een verzoek om bijstand ter betaling van schulden waarvoor, bij het ontbreken van zeer dringende redenen, geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Ten aanzien van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten heeft het College overwogen dat appellante hiervoor een aanvraag moet indienen bij de gemeente Diemen.

1.4. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft het College een nieuwe weigeringsgrond ten grondslag gelegd aan het besluit om geen bijzondere bijstand toe te kennen voor de verhuiskosten. Het College heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de verhuiskosten niet noodzakelijk waren aangezien geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2009 gegrond verklaard en het besluit van 19 oktober 2009 gedeeltelijk vernietigd, namelijk voor zover het de motivering en de wettelijke grondslag betreft van de afwijzing van het verzoek om bijstand voor de verhuiskosten. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven. De rechtbank heeft ten aanzien van het besluit van 19 oktober 2009 overwogen dat de bijzondere bijstand voor de eerste maand huur met de bijkomende kosten en voor de verhuiskosten terecht is geweigerd. Omdat appellante geen beroepsgronden had aangevoerd tegen de afwijzing van de aanvraag om inrichtingskosten heeft de rechtbank dit aspect buiten beschouwing gelaten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Daartoe is aangevoerd dat de kosten voor de eerste maand huur en de daarbij komende kosten binnen zeer korte tijd na acceptatie van de nieuwe woning moesten worden voldaan. De woning zou anders worden geweigerd. Appellante had geen andere keuze dan het verschuldigde bedrag te lenen bij haar moeder en de kosten bij de ondertekening van de huurovereenkomst op 12 juni 2009 te voldoen. Het was niet mogelijk om de aanvraag om bijzondere bijstand eerder in te dienen omdat de verschuldigdheid en de hoogte van de kosten toen nog niet bekend waren. De verhuizing naar [plaatsnaam] was voor appellante noodzakelijk om een oplossing te zoeken voor haar schulden. In Amsterdam kwam appellante niet in aanmerking voor schuldhulpverlening, waardoor zij in een financiële noodsituatie was geraakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor de inrichtingskosten niet meer in geding is.

4.2. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f (sinds 1 januari 2011 vernummerd onder g), van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.4. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

4.5. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellante geen enkele gelegenheid heeft gehad om voorafgaand aan het tekenen van het huurcontract en het betalen van de kosten op 12 juni 2008 een (voorlopige) aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen. Dat het bedrag dat zij moest betalen pas kort tevoren bekend was, acht de Raad niet van doorslaggevende betekenis. De Raad acht het voorts niet aannemelijk gemaakt dat de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam een, desnoods telefonische, aanvraag waarbij appellante de situatie had uitgelegd en een schatting van de kosten had opgegeven, niet in ontvangst zou hebben genomen.

4.6. Nu appellante de kosten voor de eerste maand huur en de daarbij komende kosten zelf heeft gefinancierd door geld te lenen bij haar moeder, gaat de Raad er, evenals de rechtbank, van uit dat de aanvraag om bijstand voor deze kosten betrekking heeft op de aflossing van een schuld. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onderdeel b, van de WWB.

4.7. Volgens het College is de noodzaak van de verhuizing niet komen vast te staan en was er daarom geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het College heeft daarom de aanvraag om bijzondere bijstand voor de verhuiskosten afgewezen. Appellante heeft aangevoerd dat zij een al jarenlang lopend juridisch conflict heeft met de gemeente Amsterdam en dat zij door de weigerachtige houding van de gemeente om haar te helpen bij het saneren van haar schulden niet meer aan haar lopende betalingsverplichtingen kon voldoen. Haar leefsituatie in Amsterdam, waar zij wegens betalingsachterstanden was afgesloten van energie en water, was daardoor onhoudbaar geworden. Sinds appellante in [plaatsnaam] is gaan wonen, gaat het beter met haar. Ze heeft daar een aanvraag kunnen doen voor schuldhulpverlening en heeft weer beschikking over gas, water en elektra.

4.8. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de gemeente Amsterdam geen schuldhulpverlening zou kunnen krijgen en dat verhuizing de enige mogelijke oplossing was. Uit de gedingstukken blijkt niet dat schuldhulpverleningsinstanties in Amsterdam stelselmatig hebben geweigerd om appellante bij te staan. Bij het verweerschrift in hoger beroep heeft het College een rapportage van de DWI van 11 juli 2008 ingezonden. Uit die rapportage, behorend bij de aanvraag om bijzondere bijstand, blijkt dat appellante met betrekking tot een huurschuld een aflossingsregeling had getroffen met schuldhulpverlener stichting Doras. Nu appellante haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, kan in het midden blijven of de gestelde feiten voor de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand moeten leiden tot de conclusie dat de verhuizing noodzakelijk was.

4.9. Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) K. Moaddine.

HD