Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
09-3719 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aflossingscapaciteit. Voldoende inzicht verschaft in het ontstaan en het verloop van de gevorderde bedragen. Nu het College met opgave van maandelijkse betalingen een gemotiveerde berekening heeft gemaakt welke bedragen in de jaren 2001 tot en met 2007 op de leenbijstand en de beide vorderingen in mindering zijn gebracht, ligt het op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat zij hogere bedragen heeft afgelost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3719 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 juni 2009, 08/999 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2011. Namens appellante is mr. Bakker verschenen, Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Op 21 juni 1995 heeft het College aan appellante en haar toenmalige echtgenoot fl 9.464,-- aan leenbijstand verstrekt voor de kosten van woninginrichting. Nadien heeft het College bij besluiten van 5 december 2000 en 8 april 2002 van beiden onderscheidenlijk € 3.372,31 en € 1.662,86 aan gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd, omdat aan hen teveel bijstand was verleend wegens verzwegen inkomsten.

1.3. Onder verwijzing naar deze terugvorderingsbesluiten heeft het College bij besluit van 4 december 2007 de aflossingscapaciteit van appellante gelet op haar financiële omstandigheden vastgesteld op € 66,97 per maand.

1.4. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het College het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard en het aflossingbedrag, nu rekening houdend met de kosten van kinderopvang, vastgesteld op € 64,61. Daarnaast heeft het College de hoogte van de vordering verlaagd van € 2.256,67 naar € 1.078,86. Het verschil van € 1.177,81 heeft het College aangemerkt als aan appellante verstrekte leenbijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College voldoende inzicht heeft verschaft in het ontstaan en het verloop van de gevorderde bedragen. Ook is volgens de rechtbank inzichtelijk geworden wat het restant van de vorderingen is en welk bedrag resteert in de vorm van leenbijstand. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onvolledige informatie heeft verschaft of dat deze berekeningen onjuist zijn.

3. Appelante heeft in hoger beroep (het restant van) de vorderingen, die het College op haar stelt te hebben, betwist. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het College tot op heden de hoogte van de vorderingen niet heeft onderbouwd, zodat deze vorderingen niet vaststaan en zij derhalve niets hoeft af te lossen. Evenmin heeft het College inzicht gegeven in wat haar ex-echtgenoot heeft afgelost.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Hij voegt daar nog aan toe dat, nu het College met opgave van maandelijkse betalingen een gemotiveerde berekening heeft gemaakt welke bedragen in de jaren 2001 tot en met 2007 op de leenbijstand en de beide vorderingen in mindering zijn gebracht, het op de weg van appellante ligt om aannemelijk te maken dat zij hogere bedragen heeft afgelost. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante voor haar stelling dat er meer is afgelost dan het College aanneemt geen begin van bewijs geleverd. Anders dan appellante stelt, blijkt uit de gedingstukken dat het College inzicht heeft gegeven in de bedragen die de ex-echtgenoot van appellante heeft voldaan.

4.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

JJ