Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
10-281 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door het Uwv. Termijnoverschrijding is verschoonbaar. Het enkele feit dat eerst in de procedure in hoger beroep een verklaring is gegeven voor de overschrijding van de bezwaartermijn, staat aan de geloofwaardigheid van geschetste gang van zaken in dit geval niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/281 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2009, 08/1478 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daarbij is een aantal nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011.

Voor appellant is verschenen mr. C.A.J de Roy van Zuydewijn, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die woont in Marokko, heeft op 28 juli 2003 een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

1.2. Bij besluit van 13 november 2007 heeft het Uwv die aanvraag buiten behandeling gesteld als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.1. Bij brief gedateerd 5 januari 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.2. Bij brief van 18 februari 2008 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Verzocht wordt om aan het Uwv binnen vier weken schriftelijk te laten weten waarom het bezwaar te laat is ingediend.

2.3. Bij besluit van 14 april 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar, met toepassing van artikel 7:3 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard. Opgemerkt wordt dat op de brief van 18 februari 2008 geen reactie is ontvangen. Van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken.

3.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is appellant uitsluitend ingegaan op de inhoudelijke aspecten van de zaak en niet op vraag of het bezwaar tijdig is ingediend en zo niet, of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

3.2. Naar aanleiding van de oproep ter zitting heeft appellant de rechtbank laten weten wegens zijn gezondheidstoestand niet ter zitting te kunnen verschijnen. Wel verklaart hij zich bereid alle vragen die de rechtbank mogelijk heeft te beantwoorden.

3.3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Na de constatering dat de verzending van het primaire besluit op 13 november 2007 door appellant niet is betwist, heeft de rechtbank vastgesteld dat de bezwaartermijn eindigde op 27 december 2007. Het bezwaar van 5 januari 2008 is derhalve te laat ingesteld. Nu niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, heeft het Uwv het bezwaar met recht niet-ontvankelijk verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het primaire besluit van 13 november 2007 te laat heeft ontvangen. Bijgevoegd is een verklaring gedagtekend 12 april 2010 van [M.S.] de portier van het gebouw waarin appellant woont. De portier verklaart dat hij de brief gericht aan appellant bij vergissing heeft bezorgd bij de buurman van appellant. Deze was toen op reis en is pas begin januari 2008 teruggekomen. Na zijn terugkomst heeft hij de brief aan appellant ter hand gesteld. Een en ander vindt bevestiging in een in de loop van de procedure ingebrachte verklaring van [Z.A.], de bewuste buurman van appellant. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant er nog op gewezen dat de brief van het Uwv niet aangetekend is verzonden. Zou het Uwv dat wel hebben gedaan dan zou de post aan betrokkene in persoon aangeboden zijn en had de post niet per abuis bij de buurman bezorgd kunnen zijn.

4.2. Door het Uwv is aangevoerd dat zij de verklaring van appellant niet geloofwaardig acht, nu deze voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd. Gelet hierop wordt verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

5.1. De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de bezwaartermijn is overschreden en dat in deze procedure het enkel gaat om de beantwoording van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

5.2. Het Uwv heeft aangegeven het relaas van appellant niet geloofwaardig te achten, nu hij dit voor het eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht. In dat verband acht de Raad allereerst van belang dat appellant eerst in de loop van de procedure in hoger beroep is bijgestaan door een rechtshulpverlener. In bezwaar en beroep heeft appellant (enkel) betoogd dat hij het Uwv wel degelijk heeft voorzien van de benodigde gegevens om op de aanvraag van de uitkering ingevolge de WAO te kunnen beslissen. Daarnaast acht de Raad van belang dat op het bezwaar is beslist zonder appellant in de gelegenheid te hebben gesteld in persoon te worden gehoord. In de procedure in eerste aanleg is appellant in het geheel niet bevraagd over de eventuele verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn, dit terwijl appellant van te voren had aangekondigd niet ter zitting te kunnen verschijnen en hij zich bereid had verklaard om eventuele vragen van de rechtbank te beantwoorden. De Raad overweegt verder dat appellant, die zelf hoger beroep heeft ingesteld, in dat beroepschrift reeds een beroep heeft gedaan op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding onder overlegging van de verklaring van de portier van het gebouw waarin hij woont. Alles afwegende is de Raad van oordeel dat het enkele feit dat eerst in de procedure in hoger beroep een verklaring is gegeven voor de overschrijding van de bezwaartermijn, aan de geloofwaardigheid van geschetste gang van zaken in dit geval niet in de weg staat. Met de ingebrachte, naar behoren ondertekende, getuigenverklaringen heeft appellant, naar het oordeel van de Raad, aannemelijk gemaakt dat de portier van het gebouw waarin appellant woont het primaire besluit per abuis bij de buurman van appellant heeft bezorgd, die dit besluit, eerst na zijn terugkomst begin januari 2008, aan appellant ter hand heeft gesteld. Nu appellant, gezien de geschetste gang van zaken, van de te late indiening van het bezwaarschrift op geen enkele wijze een verwijt kan worden gemaakt, terwijl ook niet kan worden staande gehouden dat een dergelijke gang van zaken duidelijk in de risicosfeer van appellant ligt, is de Raad van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu appellant bezwaar heeft gemaakt vrij kort nadat het primaire besluit hem door zijn buurman ter hand is gesteld.

5.3. De Raad concludeert dat het hoger beroep terecht is ingesteld. De bestreden uitspraak, en het bestreden besluit, komen voor vernietiging in aanmerking.

5.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de betaling van de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 437,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het gestorte griffierecht vergoedt van € 151,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. el Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 24 juni 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.S.A. el Hana.

KR