Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
09-5196 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag elektrische rolstoel, een pas voor algemeen openbaar vervoer. Appellant verblijft niet rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5196 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2009, 09/3441 en 09/3473 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 10 november 2009 (LJN BK5341) heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Op 4 december 2010 heeft appellant de Raad nogmaals verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 februari 2011 (LJN BP3512) heeft de voorzieningenrechter van de Raad het (herhaald) verzoek van appellant afgewezen.

Het geding is gevoegd behandeld met de zaken, aanhangig onder registratienummer 10/4335 en 10/7020, ter zitting van

16 maart 2011, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na afronding van het onderzoek zijn de zaken gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren [in] 1971, heeft de Surinaamse nationaliteit. In 2007 is appellant - op initiatief van zijn twee in [plaatsnaam] woonachtige zussen - naar Nederland gekomen, om zijn progressieve spierziekte te laten behandelen in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. Zijn aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, is bij besluit van 31 oktober 2008 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst namens de staatssecretaris van Justitie afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juni 2009 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant op 25 juni 2009 om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 verzocht, welk verzoek bij besluit van 22 maart 2010 is afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar ingediend. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 25 mei 2010 (10/11055) de voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het de minister van Justitie is verboden appellant uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

1.3. In verband met de uit zijn ziekte voortvloeiende beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning heeft appellant op 5 september 2008 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bij het College een aanvraag om een elektrische rolstoel, een pas voor algemeen openbaar vervoer en een woningaanpassing ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag heeft onderzoek naar de beperkingen van appellant plaatsgevonden door het Centrum indicatiestelling zorg, dat het College heeft geadviseerd appellant een elektrische rolstoel, een pas voor algemeen openbaar vervoer en een rolstoelgeschikte woning toe te kennen. Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000.

1.4. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2009, voor zover daarin het verzoek om een elektrische rolstoel is afgewezen, ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat hij ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wmo niet in aanmerking komt voor verlening van een individuele voorziening op grond van de Wmo. Voorts is volgens het College geen sprake van strijd met het bepaalde in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 28 juli 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij onder meer een beroep gedaan op de artikelen 3, 8 en 14 van het EVRM, alsmede op artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat de in geding zijnde aanvraag, voor zover thans van belang, is aan te merken als een aanvraag gericht op het verlenen van een individuele voorziening, zodat artikel 8, eerste lid, van de Wmo van toepassing is. Daarbij is onder meer van belang dat bij de beoordeling van de aanvraag tot verkrijging van de elektrische rolstoel de specifieke beperkingen en behoeften van de aanvrager geïnventariseerd moeten worden. De gevraagde voorziening is een op de persoon van de aanvrager aangepaste en geselecteerde voorziening, zodat niet gesproken kan worden van een ieder toegankelijke voorziening.

4.3. Artikel 8, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat een vreemdeling voor het verlenen van een individuele voorziening slechts in aanmerking kan komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000. Blijkens de toelichting bij artikel 8 van de Wmo is het de bedoeling van dit artikel om duidelijk te maken dat de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 van toepassing zijn op onder meer alle op het verlenen van individuele voorzieningen betrekking hebbende onderdelen van de verschillende in artikel 1, eerste lid , aanhef en onder g, van de Wmo genoemde beleidsterreinen. Zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijvende vreemdelingen kunnen wat deze onderdelen betreft in beginsel geen rechten doen gelden (Tweede Kamer 2004–2005, 30 131, nr. 3, p. 32). Niet gebleken is dat appellant rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, zodat artikel 8, eerste lid, van de Wmo aan toekenning van de gevraagde individuele voorziening in de weg staat.

4.4. Voor het toetsingskader van artikel 8 van het EVRM verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 22 december 2008 (LJN BG8789) en 19 april 2010 (LJN BM0956). In het onderhavige geval acht de Raad primair van belang dat appellant ten tijde hier in geding weliswaar in een moeilijke situatie verkeerde, maar dat niet kan worden gezegd dat de weigering van de voorziening tot effect had dat de normale ontwikkeling van zijn privé-leven onmogelijk werd gemaakt. Daar komt bij dat appellant ten tijde in dit geding van belang niet rechtmatig in Nederland verbleef, terwijl niet is gebleken dat het voor appellant niet mogelijk was terug te keren naar het land van herkomst. Naar het oordeel van de Raad kan onder die omstandigheden in redelijkheid niet worden volgehouden dat de weigering van de gevraagde voorziening geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van de gevraagde voorziening en de particuliere belangen van appellant. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt dan ook niet. Nu de klacht onder artikel 8 van het EVRM naar het oordeel van de Raad geen doel treft, behoeft de klacht onder artikel 3 van het EVRM, dat een veel zwaardere norm stelt, verder geen bespreking.

4.5. Het beroep op het in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het twaalfde Protocol bij het EVRM vervatte non-discriminatiebeginsel slaagt evenmin. De Raad wijst er op dat hij reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001 (LJN AB2276) heeft geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. De Raad heeft in het kader van deze toetsing de doelstelling van de koppelingswetgeving, zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, steeds aanvaardbaar geacht. De Raad ziet geen reden om in de onderhavige situatie anders te oordelen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M.I. ‘t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

JJ