Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
10-4335 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing (eerste) aanvraag om een elektrische rolstoel. In het voorliggende geval heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat sprake is van een herhaalde aanvraag en is ten onrechte niet uitgegaan van de oorspronkelijke afwijzing. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4335 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010, 10/2842 en 10/3230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Op 4 december 2010 heeft mr. Fischer de Raad namens appellant verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 februari 2011 (LJN BP3512) heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellant afgewezen.

Het geding is gevoegd behandeld met de zaken, aanhangig onder registratienummer 09/5196 en 10/7020, ter zitting van

16 maart 2011, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na afronding van het onderzoek zijn de zaken gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren [in] 1971, heeft de Surinaamse nationaliteit. In 2007 is appellant - op initiatief van zijn twee in [plaatsnaam] woonachtige zussen - naar Nederland gekomen, om zijn progressieve spierziekte te laten behandelen in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. Zijn aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, is bij besluit van 31 oktober 2008 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst namens de staatssecretaris van Justitie afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juni 2009 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant op 25 juni 2009 om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 verzocht, welk verzoek bij besluit van 22 maart 2010 is afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar ingediend. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 25 mei 2010 (10/11055) de voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het de minister van Justitie is verboden appellant uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

1.3. In verband met de uit zijn ziekte voortvloeiende beperkingen bij het zich verplaatsen in en om de woning heeft appellant op 5 september 2008 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bij het College een aanvraag om een elektrische rolstoel, een pas voor algemeen openbaar vervoer en een woningaanpassing ingediend. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2009, voor zover daarin het verzoek om een elektrische rolstoel is afgewezen, ongegrond verklaard. Voor het verdere verloop van het beroep en hoger beroep ten aanzien van deze aanvraag verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden onder nummer 09/5196.

1.4. Op 4 maart 2010 heeft appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo opnieuw een aanvraag om een elektrische rolstoel ingediend.

1.5. Bij besluit van 25 maart 2010 heeft het College de aanvraag van appellant opnieuw afgewezen op de grond dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l van de Vw 2000.

1.6. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het College de bezwaren van appellant tegen het besluit van 25 maart 2010 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat hij ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wmo niet in aanmerking komt voor verlening van een individuele voorziening op grond van de Wmo. Voorts is volgens het College geen sprake van strijd met het bepaalde in het EVRM.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 juni 2010 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het College de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. De Raad stelt vast dat het College het in geding zijnde verzoek van appellant van heeft aangemerkt en beoordeeld als een (eerste) aanvraag om verstrekking van een elektrische rolstoel.

4.2. In het voorliggende geval heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat sprake is van een herhaalde aanvraag. Als gevolg daarvan is de voorzieningenrechter ten onrechte niet uitgegaan van de oorspronkelijke afwijzing en heeft hij zich eveneens ten onrechte niet beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en, zo ja, of appellant daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. De Raad overweegt vervolgens, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het volgende.

4.3. Ter ondersteuning van zijn (herhaalde) aanvraag heeft appellant aangevoerd dat zijn medische situatie is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerste aanvraag. De Raad is van oordeel dat het in casu niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gaat, aangezien het College ten tijde van de eerste aanvraag reeds bekend was met de progressieve ziekte van appellant. Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

4.5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op

€ 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M.I. ‘t Hooft als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

JJ