Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
10-2872 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BM4274, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving en functiewaarderling (sr) beleidscoördinator (regionale subsidie-coördinatie en juridische stafadvisering). Anders van de rechtbank heeft overwogen, bestaat er aanleiding tot aanpassing van de scores op het gezichtspunt structuur: breedte van het werkterrein, en toekenning van 5 punten extra. Wat betreft de overige scores sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. De Raad stelt zelf de waardering vast op 1295 punten, waarbij de functionele salarisklasse 12 blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2872 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 mei 2010, 09/1444 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 9 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2011. Appellant is verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, advocaat te Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appelllant is sinds 2005 werkzaam als [naam functie] bij de [naam staf] van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en ingeschaald in schaal 12. In 2008 is een traject uitgezet om de werkzaamheden van appellant definitief te beschrijven en te waarderen. Op 12 augustus 2008 is vastgesteld de in overleg met appellant opgemaakte beschrijving van de functie (sr) beleidscoördinator (regionale subsidie-coördinatie en juridische stafadvisering). Op diezelfde datum is eveneens vastgesteld de (organieke) functie van (senior) beleidscoördinator.

1.2. Bij besluit van 21 januari 2009 is met toepassing van de Rotterdamse functie-waarderingsmethode de waardering van de functie van appellant vastgesteld op een score van 1290 punten en een functionele salarisklasse 12. Dit besluit is na bezwaar gehand-haafd bij besluit van 20 april 2009 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat zij het aan de functie van appellant toegekende aantal punten niet onhoudbaar achtte.

3. Appellant heeft die uitspraak aangevochten voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden beperkt tot een zevental scores. Appellant streeft indeling in schaal 13 na.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellant hield zich, zo valt uit de gedingstukken af te leiden, gemiddeld vier dagen per week bezig met het contracteerplatform jeugdgezondheidszorg, waaronder de regiobrede subsidieverlening, en één dag per week met het geven van juridisch advies. De Raad volgt net zo min als de rechtbank de stelling van appellant dat voor de waardering van zijn werkzaamheden niet alleen acht moet worden geslagen op de beschrijving van deze specifieke werkzaamheden, maar ook op de organieke beschrijving van de functie (senior) beleidscoördinator. Weliswaar wordt eerstgenoemde beschrijving aangeduid als “bijlage bij de functiebeschrijving van de beleidscoördinator”, maar de Raad acht voldoende aannemelijk geworden dat in die bijlage het totaalpakket van appellants bezigheden is beschreven en dat hij daarnaast geen, althans niet substantieel, ander werk deed. De ter zitting door appellant gegeven voorbeelden wijzen daar ook op, aangezien die voorbeelden kunnen worden gerangschikt onder juridische advisering. De Raad wijst voorts op de toelichting op het procedurebesluit functiewaardering 1993, waarin onder punt 1.8 is vermeld dat een persoonsgebonden functie - zoals hier in geding - altijd wordt beschreven en gewaardeerd tegen de achtergrond van de organieke functie, welke eveneens beschreven en gewaardeerd dient te zijn. Dat betekent niet, zoals appellant meent, dat de organieke functiebeschrijving meedoet voor de waardering. Dit alles leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank terecht (slechts) als uitgangspunt van de waardering heeft genomen de functiegebonden bijlage.

4.2. Wat betreft gezichtspunt 1.2, structuur: breedte van het werkterrein, stelt de Raad vast dat het college erkent dat een indeling in band 2 verdedigbaar zou zijn. Nu de functie van appellant onbetwist bestaat uit meerdere taakdelen, die onderlinge verwantschap vertonen, acht de Raad band 2 aangewezen en de toegekende band 1 onhoudbaar. Dat betekent, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat er aanleiding bestaat tot aanpassing van de scores op dit gezichtspunt en toekenning van 5 punten extra.

4.3. Wat betreft de overige scores sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden herhaald, maar dat heeft de Raad er niet van overtuigd dat de rechtbank, met inachtneming van de juiste toetsingsmaatstaf, die gronden op onjuiste wijze heeft weerlegd. Dat in de functie van appellant op sommige gezichtspunten een lagere score is toegekend dan het geval is bij de organieke functie acht de Raad voldoende onderbouwd. Appellant was immers op een deelterrein van de GGD werkzaam en hield zich niet, althans niet substantieel en structureel, bezig met coördinatie over de gehele breedte van het werkterrein van de GGD. Dat appellant wel eens een collega met raad en daad terzijde stond, maakt dat niet anders. Ook is de Raad ervan overtuigd dat appellant in zijn werk voornamelijk te maken had met vaktechnische werkafspraken, met plannen en coördineren en niet zozeer met onderhandelen en onderling tegenstrijdige belangen. Voorzover appellant hier doelt op het voeren van beroepsprocedures namens de GGD, merkt de Raad op dat hij dan in die “omgeving waar belangentegenstellingen centraal staan” wordt geacht het standpunt van de GGD uit te dragen, niet meer en niet minder. Voor zover appellant hier doelt op het besluitvormingsproces binnen het contracteerplatform, is het de Raad duidelijk geworden dat appellant de betrokken gemeentebestuurders bijstond en van adviezen voorzag. Appellant droeg geen verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke keuzes. Wat betreft het aan appellant toegekende ondermandaat overweegt de Raad dat, ongeacht hoe ruim het mandaat was, uitoefening van bevoegdheden in ondermandaat altijd geschiedt onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever.

4.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover aangevochten. Doende hetgeen de rechtbank zou moeten doen zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf de waardering vast stellen op 1295 punten, waarbij de functionele salarisklasse 12 blijft.

4.5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Herroept het besluit van 21 januari 2009 en stelt de waardering van appellants functie vast op 1295 punten, functionele salarisklasse 12;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Bepaalt dat het college het door appellant betaalde griffierecht van € 224,- in hoger beroep vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD