Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
10-1894 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervallen van de Toelage Bezwarende Functies (TBF) na herplaatsing. Een beleid als gevoerd in de politieregio Groningen, waarbij een medewerker die niet langer kan of wil worden ingezet voor politietaken bij herplaatsing als administratief-technisch medewerker zijn executieve status verliest, heeft de Raad bij uitspraak van 28 oktober 2010, LJN BO3722, niet onredelijk gevonden. De korpsbeheerder heeft er terecht op gewezen dat het verlies van de executieve status ook gevolgen heeft voor rang, algemene opsporingsbevoegdheid en bevoegdheden met betrekking tot het aanwenden van geweld. Appellante behoudt haar (ATH) status en verliest als gevolg van de herplaatsing slechts haar aanwijzing. Dat is een rechtens relevant verschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1894 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 februari 2010, 09/1090 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Groningen (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 16 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2011. Appellante is vertegenwoordigd door mr. M.H. Welter, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.A. Hoekstra, werkzaam bij de politieregio Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was aangesteld als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en laatstelijk werkzaam als [functie 1]. Deze functie was aangewezen als een functie waaraan opbouw voor het specifiek deel van het AFUP-opbouwreglement is verbonden zoals bedoeld in de Regeling aanwijzing administratief-technische functies (Stcrt. 2000, nr. 249). Aan dergelijke “aangewezen” functies (ook wel genoemd: ATH-zwaar) is het recht op een Toelage Bezwarende Functies (TBF) gekoppeld.

1.2. Wegens arbeidsongeschiktheid voor haar eigen functie is appellante bij besluit van 27 mei 2009 met toepassing van artikel 49b, derde lid, van het Barp herplaatst in de functie van [functie 2] bij het Regionaal Informatie Knooppunt. Daarbij is meegedeeld dat als gevolg van deze herplaatsing de TBF komt te vervallen met ingang van de maand juni 2009. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2009 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In geding is niet de herplaatsing als zodanig, maar het vervallen van de TBF. Appellante heeft zich beroepen op de uitspraak van de Raad van 4 mei 2005, LJN AT6399, waarbij zij betoogt dat de status ATH-zwaar vergelijkbaar is met een executieve status en zij uit genoemde uitspraak afleidt dat ook die status dus niet kan worden afgenomen bij onvrijwillige herplaatsing, namelijk wegens ziekte. De korpsbeheerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van appellante geen wijziging van status heeft plaatsgevonden; zij was en is aangesteld in een administratief-technische functie. De wijziging ziet er slechts op dat de nieuwe functie niet is “aangewezen”.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Met executieve status wordt bedoeld de aanstelling voor de uitvoering van de politietaak. Daarnaast kent het Barp de aanstelling als die van appellante: voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, ook wel genoemd de ATH status. In de onder 3 genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen, kort gezegd, dat waar in de betrokken politieregio als beleid werd gevoerd aan een ambtenaar de executieve status te ontnemen als betrokkene op vrijwillige basis werkzaamheden gaat verrichten die niet de uitvoering van de politietaak betreffen - en niet indien dat verplicht gebeurt - van belang is dat over die vrijwilligheid geen twijfel bestaat. In geval van twijfel moet worden geoordeeld dat de executieve status niet aan betrokkene kan worden ontnomen.

4.2. Naar het oordeel van de Raad doet appellante ten onrechte een beroep op deze uitspraak, reeds omdat in de politieregio Groningen een dergelijk beleid, naar van de zijde van de korpsbeheerder is verklaard, niet wordt gevoerd. Een beleid als gevoerd in de politieregio Groningen, waarbij een medewerker die niet langer kan of wil worden ingezet voor politietaken bij herplaatsing als administratief-technisch medewerker zijn executieve status verliest, heeft de Raad bij uitspraak van 28 oktober 2010, LJN BO3722, niet onredelijk gevonden.

4.3. Appellante kan dus niet met een beroep op het gelijkheidsbeginsel claimen dat zij haar TBF niet zou behoren te verliezen, nu in deze politieregio ook de politie-ambtenaar in een executieve functie die wordt herplaatst in een administratieve functie zijn TBF kwijt raakt.

Afgezien daarvan onderschrijft de Raad het standpunt van de korpsbeheerder dat het verlies van een aanwijzing niet op één lijn kan worden gesteld met de verandering van status zoals hiervoor onder 4.1 uitgelegd. De korpsbeheerder heeft er terecht op gewezen dat het verlies van de executieve status ook gevolgen heeft voor rang, algemene opsporingsbevoegdheid en bevoegdheden met betrekking tot het aanwenden van geweld. Appellante behoudt haar (ATH) status en verliest als gevolg van de herplaatsing slechts haar aanwijzing. Dat is een rechtens relevant verschil.

4.4. Nu ook niet uit enig toepasselijk rechtspositievoorschrift voortvloeit dat appellante haar TBF zou moeten behouden, acht de Raad het bestreden besluit niet in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank heeft dat besluit dan ook terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD