Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
10-3042 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om werktijden te wijzigen. Dienstbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3042 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2010, 09/716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 16 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sinds 1996 werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Met ingang van 1 november 2006 is zij aangesteld in de functie van toezichthouder garage in de [naam parkeergarage] bij de [naam afdeling] van de dienst Stadstoezicht. Haar arbeidsduur bedraagt 36 uur per week. De uren worden verricht in wisselende diensten, waaronder avond- en zaterdagdiensten.

1.2. Bij brief van 10 oktober 2007 heeft appellante het college verzocht de avonddiensten te laten vervallen, en alleen dagdiensten te hoeven verrichten die aansluiten bij de schooltijden van haar kinderen, bijvoorbeeld van 8.30 tot 17.00 uur. Als reden heeft zij aangegeven gewijzigde persoonlijke omstandigheden: zij is gescheiden en beschikt niet over alternatieve opvangmogelijkheden voor haar kinderen.

1.3. In februari 2008 is aan appellante te kennen gegeven dat een wijziging van werktijd als door haar gewenst niet mogelijk is. In plaats daarvan zijn haar in het kader van een pilotproject tijdelijk andere werkzaamheden met aangepaste werktijden aangeboden. Appellante heeft dit aanbod aanvaard, maar heeft de andere werkzaamheden vanwege fysieke klachten (allergie) moeten staken. Per 8 september 2008 is zij teruggeplaatst in haar functie van toezichthouder in de [naam parkeergarage]. Hierdoor is het verzoek van 10 oktober 2007 weer actueel geworden.

1.4. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college het verzoek van 10 oktober 2007 afgewezen. Daartoe heeft het college - kort samengevat - overwogen dat het bedrijfsbelang zich verzet tegen inwilliging van het verzoek, dat appellante de periode van februari tot oktober 2008 niet heeft benut voor het oplossen van haar probleem, dat de door het college geboden alternatieve werkzaamheden op verzoek van appellante zijn beëindigd, en dat het college bereid is te blijven zoeken naar een passende dagdienstfunctie. Hierbij is aangegeven dat appellante zelf ook haar verantwoordelijkheid zal moeten nemen door actief te solliciteren op beschikbare functies.

1.5. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2008 is bij besluit van 15 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij - kort samengevat - het volgende overwogen. Het verzoek van appellante betekent niet alleen dat zij niet op zaterdag en in de avonden werkt, maar ook dat haar werktijden compleet afwijken van de in het rooster voorziene start- en eindtijden van de diensten. Inwilliging van het verzoek zou meebrengen dat de normbezetting van twee toezichthouders per dienst op allerlei momenten niet gehaald kan worden, hetgeen continue aanpassingen van de bezetting noodzakelijk maakt. Het vinden van vervanging op de momenten dat appellante afwezig zou zijn stuit op praktische problemen, terwijl het uit het oogpunt van bedrijfsvoering en veiligheid evenmin wenselijk is dat op bepaalde tijden structureel met een bezetting van één toezichthouder wordt volstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat zwaarwegende bedrijfsbelangen in de weg staan aan het toewijzing van het verzoek van appellante om structureel in dagdiensten te werken. Voorts heeft het college bij afweging van de in het geding zijnde belangen aan dit dienstbelang meer gewicht mogen toekennen dan aan het persoonlijk belang van appellante. De rechtbank heeft daarbij van betekenis geacht dat het college op verscheidene manieren heeft getracht tot een oplossing te komen, terwijl daartegenover weinig of niets is gebleken van pogingen van appellante om zelf een oplossing te vinden.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad deelt de opvatting van het college en de rechtbank, dat er door appellante geen verzoek is gedaan om vermindering van arbeidsuren, en dat het bestreden besluit derhalve geen betrekking heeft op een verzoek om vermindering van arbeidsduur als bedoeld in de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA). Dat appellante in beroep en in hoger beroep heeft aangegeven dat zij wel bereid zou zijn een aantal uren van haar huidige arbeidsduur op te geven, mits zij nog wel in haar levensonderhoud kan blijven voorzien, maakt dit niet anders, reeds omdat het hier geen concreet verzoek betreft als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de WAA. De Raad merkt daarbij nog op dat deze bereidverklaring door appellante pas kenbaar is gemaakt na het bestreden besluit, zodat de vraag of het college had moeten ingaan op deze bereidverklaring ook om die reden buiten de omvang van dit geding valt.

3.2. De relevante toetsingsmaatstaf voor het bestreden besluit is vervat in artikel 4:1a van de Arbeidstijdenwet, waar is bepaald dat de werkgever, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, bij de vaststelling van het arbeidstijdpatroon van de werknemer rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer buiten de arbeid, waaronder in elk geval begrepen de zorg(taken) voor kinderen, (afhankelijke) familieleden, verwanten en naasten alsmede maatschappelijke verantwoordelijkheden die door de werknemer worden gedragen.

3.3. De vraag die de Raad heeft te beantwoorden is of het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in redelijkheid van hem niet gevergd kon worden het verzoek van appellant tot aanpassing van het arbeidstijdpatroon in te willigen. Daartoe acht de Raad het volgende van belang.

3.3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat zwaarwegende bedrijfsbelangen zich verzetten tegen de inwilliging van het verzoek van appellante. De Raad onderschrijft de uitvoerige overwegingen die de rechtbank hieraan heeft gewijd en verwijst daarnaar.

3.3.2. Aan de stelling van appellante dat het college heeft nagelaten aan te geven binnen welke marges een deeltijdbetrekking te creëren valt, zal de Raad voorbijgaan, nu deze stelling, in lijn met hetgeen onder 3.1 is overwogen, buiten de omvang van het geding valt.

3.3.3. Aan de stelling van appellante dat er in de praktijk ook in andere gevallen wel eens van het gewone rooster wordt afgeweken, kan de Raad niet het door appellante bepleite gevolg verbinden. Dat er één medewerkster van maandag tot en met donderdag (30 uur per week) boven de sterkte werkzaam is op een andere locatie, brengt nog niet mee dat ook voor een medewerker als appellante, die tot de vaste bezetting van de garages behoort, de mogelijkheid van afwijkende roostertijden, ten koste van de normbezetting, zou moeten worden gecreëerd. Voorts ziet de Raad in het gegeven dat bij (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van werknemers incidenteel alternatieve werktijden mogelijk zijn, nog geen reden waarom aan appellante zou moeten worden toegestaan om structureel op andere dan de normale roostertijden werkzaam te zijn. Het college was ook naar het oordeel van de Raad niet gehouden de onderbezetting, die thans reeds meebrengt dat de normbezetting soms niet kan worden gehaald, nog verder te vergroten door het verzoek van appellante in te willigen.

3.3.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank voorts terecht betekenis toegekend aan het gegeven, dat het college op verscheidene manieren heeft getracht tot een alternatieve oplossing te komen voor de roosterproblemen van appellante. Toen desondanks een andere oplossing onbereikbaar bleek, mocht het college concluderen, dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden het verzoek van appellante in te willigen.

3.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD