Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
11-1985 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing voorlopige voorziening: Het handelen van betrokkene kan niet los worden gezien van zijn hoedanigheid van ambtenaar bij een werkvoorzieningsschap. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat de relatie die tussen betrokkene en B heeft bestaan niet als een puur vriendschappelijke relatie kan worden aangemerkt. In dit verband wijst de voorzieningenrechter onder meer op het feit dat, zoals betrokkene heeft erkend, betrokkene en B aan elkaar naaktfoto’s van zichzelf hebben verstuurd en op het zeer frequente telefonisch contact. Een dergelijke relatie met een voormalige WSW-werkneemster die - naar betrokkene wist - als meer dan normaal kwetsbaar en afhankelijk moet worden beschouwd, raakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de hoedanigheid van betrokkene als ambtenaar bij een werkvoorzieningsschap. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft betrokkene zich aan ernstig plichtsverzuim schuldig gemaakt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede laten wegen dat betrokkene het bestaan van de relatie heeft verzwegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1985 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort e.o. (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 maart 2011, 09/3096, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 14 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2011. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.E. van Soest, werkzaam bij Vijverberg juristen, en drs. L.M.B. Maas en H. Koldenhoven, respectievelijk werkzaam als algemeen directeur en P&O-adviseur bij het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort e.o. (hierna: RWA). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Haandel-Ouwehand, werkzaam bij Abvakabo FNV te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1973 werkzaam bij het RWA, laatstelijk als [naam functie]. Daarvoor is betrokkene onder meer een periode werkzaam geweest als afdelingschef van de [naam afdeling], dit tot 1 juli 1999. In deze functie was hij gedurende één à anderhalf jaar de leidinggevende van B. B is vanaf 1989 werkzaam geweest bij het RWA op basis van een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) die verband hield met een verstandelijke handicap (debilitas mentis). Per 17 augustus 2006 is aan B, nadat zij gedurende twee jaar arbeidsongeschikt was geweest in verband met psychische klachten, ontslag verleend. Begin 2009 is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een bij het RWA gedane melding dat betrokkene en B een relatie hadden. Verzoeker heeft bij besluit van 12 mei 2009 een eerder aan betrokkene opgelegde schorsing verlengd tot 15 mei 2009 en betrokkene met ingang van die dag de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan het ontslag is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat betrokkene - zonder dit aan verzoeker te melden – vanaf enig moment na 17 augustus 2006 gedurende minimaal anderhalf jaar een intieme relatie heeft onderhouden met B. Hierbij is onder meer verwezen naar door betrokkene en B gewisselde e-mail- en sms-berichten en is gewezen op het feit dat betrokkene en B aan elkaar naaktfoto’s van zichzelf hebben verstuurd. Volgens verzoeker is betrokkene intimiteiten aangegaan met iemand die vanwege haar gebrekkige ontwikkeling en kwetsbare psychische gesteldheid niet of onvolkomen in staat was haar wil daarover te bepalen en moet dit, gezien de binnen het RWA geldende gedragsnormen, worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 mei 2009 heeft verzoeker bij besluit van 7 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover daarbij het bezwaar tegen het bij het besluit van 12 mei 2009 opgelegde strafontslag ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 12 mei 2009 in zoverre herroepen. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, gezien de interne nota “Cultuur, sociaal beleid en leidinggeven bij RWA bedrijven”, binnen het RWA de norm geldt dat een relatie tussen een leidinggevende en een WSW-werknemer niet wordt getolereerd. Volgens de rechtbank had deze norm bij betrokkene, die geruime tijd als leidinggevende heeft gewerkt, bekend kunnen zijn. De rechtbank heeft verzoeker evenwel niet gevolgd in zijn stelling dat deze norm ook ziet op een relatie tussen een leidinggevende en een mentaal gehandicapte WSW-medewerker die niet meer in dienst is. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de genoemde nota niet blijkt dat de desbetreffende norm van toepassing blijft na beëindiging van het dienstverband van de WSW-werknemer. De rechtbank heeft het niet uitgesloten geacht dat deze norm nog enige nawerking heeft nadat de betrokken WSW-medewerker uit dienst is getreden. Volgens de rechtbank was van een dergelijke nawerking in dit geval echter geen sprake meer, gezien het tijdsverloop sinds de formele uitdiensttreding van B. Hierbij heeft de rechtbank er bovendien nog op gewezen dat B sinds augustus 2004 feitelijk niet meer heeft gewerkt in verband met ziekte. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat betrokkene niet in strijd heeft gehandeld met een binnen het RWA geldende norm en dat in het midden kan blijven of de contacten tussen betrokkene en B zijn te kwalificeren als een (intieme) relatie.

3.1. Verzoeker heeft verzocht om de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Als spoedeisend belang heeft hij aangevoerd dat de aangevallen uitspraak meebrengt dat het dienstverband herleeft en dat betrokkene tewerkstelling heeft gevorderd, terwijl verzoeker het vertrouwen in het functioneren van betrokkene heeft verloren. Daarbij heeft verzoeker het standpunt ingenomen dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden. In dit verband heeft verzoeker onder meer naar voren gebracht dat de desbetreffende gedragsnorm een verdergaande reikwijdte heeft dan door de rechtbank is aangenomen. Verder heeft verzoeker er onder meer op gewezen dat betrokkene ook in de ziekteperiode van B vanaf augustus 2004 nog contact heeft gehad met B en dat uit recentelijk beschikbaar gekomen telefoongegevens blijkt dat sprake was van een aanzienlijk intensiever telefonisch contact tussen betrokkene en B dan betrokkene heeft aangegeven.

3.2. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de relatie tussen hem en B louter vriendschappelijk was en dat door verzoeker ten onrechte is aangenomen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Verder heeft betrokkene ter zitting verklaard dat hij thans werkzaamheden verricht tegen een lager salaris dan hij voorheen ontving bij het RWA en dat hij zo spoedig mogelijk weer werkzaamheden wil verrichten binnen het RWA.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met betrokkene is hersteld, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang gelegen. Hij moet daarom antwoord geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van deze Raad kan ook handelen buiten werktijden onder omstandigheden strijdig zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim opleveren. Dit kan het geval zijn in situaties waarbij het handelen, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad, maar ook in situaties waarbij de hoedanigheid en de gedragingen in de privésfeer onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn (CRvB 12 mei 2011, LJN BQ5275).

4.5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het handelen van betrokkene niet los worden gezien van zijn hoedanigheid van ambtenaar bij een werkvoorzieningsschap. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat de relatie die tussen betrokkene en B heeft bestaan niet als een puur vriendschappelijke relatie kan worden aangemerkt. In dit verband wijst de voorzieningenrechter onder meer op het feit dat, zoals betrokkene heeft erkend, betrokkene en B aan elkaar naaktfoto’s van zichzelf hebben verstuurd en op het zeer frequente telefonisch contact. Een dergelijke relatie met een voormalige WSW-werkneemster die - naar betrokkene wist - als meer dan normaal kwetsbaar en afhankelijk moet worden beschouwd, raakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de hoedanigheid van betrokkene als ambtenaar bij een werkvoorzieningsschap. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft betrokkene zich aan ernstig plichtsverzuim schuldig gemaakt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede laten wegen dat betrokkene het bestaan van de relatie heeft verzwegen.

4.7. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Dit, gevoegd bij de omstandigheid dat betrokkene thans niet zonder inkomsten zit, is voor de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om doorslaggevend gewicht te hechten aan het belang van verzoeker om betrokkene voorlopig niet te werk te stellen en om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

5. De voorzieningenrechter ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

Schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 maart 2011, 09/3096, totdat op het hoger beroep is beslist;

Bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 454,- terugbetaalt aan de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort e.o.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD