Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
10/5409 WW + 11/748 WW + 11/749 WW + 11/751 WW + 11/2035 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX0909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overname betalingsverplichtingen van gefailleerde werkgever. Faillissementsuitkering: proceskosten in bezwaar, renteschade, proceskosten in hoger beroep. WW-uitkering: Appellant heeft zijn verzoek om schadevergoeding in beroep niet gespecificeerd. De rechtbank had het verzoek echter niet om die reden mogen afwijzen, maar had het moeten opvatten als een verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over hetgeen te weinig of te laat is uitbetaald en daarover een beslissing moeten nemen. Overwerk. Vaststelling van het dagloon.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:125
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/230
ABkort 2011/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5409 WW

11/748 WW

11/749 WW

11/751 WW

11/2035 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 augustus 2010, 09-5122, 09-5617 en 09-5612 (aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 1 november 2010, 17 december 2010 en 8 februari 2011 nieuwe besluiten genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 29 juli 2000 als bedrijfsleider/directeur in dienst getreden van [naam werkgever] (werkgever). De werkgever is op 20 januari 2009 in staat van faillissement verklaard, waarna de curator bij brief van 23 januari 2009 de arbeidsovereenkomst met appellant heeft opgezegd. Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van de werkgever jegens hem over te nemen (faillissementsuitkering). Daarnaast heeft hij een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW (werkloosheidsuitkering) aangevraagd.

1.2. Bij besluiten van onderscheidenlijk 11 mei 2009 en 10 april 2009 heeft het Uwv een eindafrekening met betrekking tot de faillissementsuitkering vastgesteld en de gevraagde werkloosheidsuitkering toegekend met ingang van 9 maart 2009 voor de duur van drie maanden en berekend naar een dagloon van € 42,37. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 3 augustus 2009 (bestrden besluit 1) de aan appellant verstrekte faillissementsuitkering verhoogd en bij besluit van 2 oktober 2009 (bestreden besluit 2) de duur van de werkloosheidsuitkering verlengd tot 30 maanden en het dagloon niet gewijzigd.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2. De rechtbank heeft deze beroepen bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd voor zover geen vergoeding heeft plaatsgevonden over 25 oktober 2008, bepaald dat appellant recht heeft op vergoeding van overwerkuren en onkosten over 25 oktober 2008 en de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 voor het overige in stand gelaten. Voorts heeft zij in het geding over de werkloosheidsuitkering bestreden besluit 2 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat het Uwv met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2009 neemt en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank oordeelde met betrekking tot de werkloosheidsuitkering dat het dagloon onjuist was vastgesteld, omdat bij de berekening daarvan met de door appellant in een deel van de referteperiode, te weten vanaf 27 oktober 2008, genoten overwerkvergoeding op onjuiste gronden geen rekening was gehouden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling, maar wel bepaald dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

3.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten en van zijn verzoek om schadevergoeding aangevochten, evenals het oordeel van de rechtbank over de voor de werkloosheidsuitkering in aanmerking te nemen referteperiode en het daarmee samenhangende dagloon.

3.2. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan bij besluit van 1 november 2010 het bedrag van de over 25 oktober 2008 na te betalen faillissementsuitkering vastgesteld op € 167,54 bruto en € 41,28 netto. Voorts heeft het Uwv bij besluit van 17 december 2010, voor zover in hoger beroep van belang, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het voor de werkloosheidsuitkering in aanmerking te nemen dagloon verhoogd tot € 59,32.

3.3. Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het Uwv met betrekking tot de op grond van bestreden besluit 1 en het besluit van 1 november 2010 ontvangen nabetalingen aan appellant meegedeeld dat daarover geen betaling van wettelijke rente zal plaatsvinden. Volgens het Uwv bestaat over de nabetaling op grond van besteden besluit 1 geen recht op vergoeding van wettelijke rente en bedraagt de wettelijke rente over de over 25 oktober 2008 nabetaalde faillissementsuitkering minder dan € 10,-.

3.4. Appellant heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het niet uitbetalen van wettelijke rente, noch in de nadere vaststelling van het dagloon.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De faillissementsuitkering

4.1.1. Appellant kan zich verenigen met de in het besluit van 1 november 2010 vastgestelde bedragen van de faillissementsuitkering over 25 oktober 2008, zodat dit besluit niet in het geding behoeft te worden betrokken. Voor zover de aangevallen uitspraak ziet op het geding over de faillissementsuitkering is thans nog aan de orde de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van appellant om vergoeding van proceskosten en het niet nemen van een beslissing door de rechtbank op het verzoek van appellant om vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het aanvankelijk onjuiste toekenningsbesluit van 11 mei 2009.

4.1.2. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om vergoeding van proceskosten afgewezen omdat haar niet was gebleken dat appellant voor vergoeding in aanmerking komende kosten had gemaakt. De rechtbank is er hierbij aan voorbijgegaan dat appellant heeft verzocht om vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Die kosten komen op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht tot een bedrag van € 4,52 voor vergoeding in aanmerking. Nu de rechtbank het Uwv niet heeft veroordeeld tot vergoeding van deze kosten kan de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb alsnog veroordelen tot vergoeding van genoemde kosten.

4.1.3. Appellant heeft de rechtbank verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade die hij heeft geleden als gevolg van foute en vertraagde besluiten van het Uwv. Dit verzoek is in beroep niet nader gespecificeerd, zodat het had moeten worden opgevat als een verzoek om vergoeding van de wettelijke rente. De rechtbank heeft in het geding over de faillissementsuitkering nagelaten een beslissing te nemen op dat verzoek. Ook in zoverre kan de aangevallen uitspraak geen stand houden.

4.1.4. Nu het in 3.3 genoemde besluit van 8 februari 2011 is betwist, maakt het op grond van artikel 4:125 van de Awb deel uit van het geding in hoger beroep. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv meegedeeld dat dit besluit niet langer wordt gehandhaafd, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv stelt zich nader op het standpunt dat aan appellant de wettelijke rente over de faillissementsuitkering moet worden vergoed over het verschil tussen het bedrag dat hem bij het besluit van 11 mei 2009 is toegekend en het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien bij het besluit van 11 mei 2009 een correcte eindafrekening zou hebben plaatsgevonden, waarbij de ingangsdatum moet worden bepaald op 1 juni 2009. De Raad verenigt zich met dit nadere standpunt. Met betrekking tot de vergoeding van wettelijke rente over de faillissementsuitkering zal de Raad, zoals besproken ter zitting, het Uwv op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dienovereenkomstig veroordelen tot vergoeding aan appellant van deze renteschade. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van

1 november 1995, LJN ZB1495.

4.1.5. Nu de aangevallen uitspraak in het geding over de faillissementsuitkering gedeeltelijk wordt vernietigd bestaat aanleiding het Uwv tevens te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 18,97 aan reiskosten. Samen met het in 4.1.2 genoemde bedrag leidt dit tot een proceskostenveroordeling van in totaal € 23,49.

4.2. De werkloosheidsuitkering

4.2.1. Appellant heeft, voor zover thans nog van belang, de aangevallen uitspraak in het geding over de werkloosheidsuitkering aangevochten voor zover de rechtbank zijn verzoeken om vergoeding van proceskosten en van schade heeft afgewezen.

4.2.2. Nu het in het geding over de werkloosheidsuitkering om dezelfde proceskosten gaat als genoemd in overweging 4.1.2 en het Uwv zal worden veroordeeld om die kosten alsnog te vergoeden bestaat geen aanleiding om het Uwv in het kader van de procedure over de werkloosheidsuitkering te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg. Om die reden zal de Raad de beslissing van de rechtbank over de proceskosten in het geding over de werkloosheidsuitkering in stand laten.

4.2.3. Appellant heeft de rechtbank verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade die hij heeft geleden als gevolg van het feit dat het Uwv zijn werkloosheidsuitkering over de periode van 8 juni 2009 tot 11 oktober 2009 te laat heeft uitbetaald. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat appellant de door hem geleden schade niet met stukken heeft aangetoond, zodat onduidelijk is welke schade hij precies heeft geleden.

4.2.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn verzoek om schadevergoeding in beroep niet heeft gespecificeerd. De rechtbank had het verzoek echter niet om die reden mogen afwijzen, maar had het moeten opvatten als een verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over hetgeen te weinig of te laat is uitbetaald en daarover een beslissing moeten nemen. Aangezien appellant door de besluiten van 10 april 2009 en 2 oktober 2009 vertragingsschade heeft geleden doordat zijn werkloosheidsuitkering met ingang van 9 maart 2009 naar een te laag dagloon is berekend en de uitbetaling van zijn werkloosheidsuitkering over de periode van 8 juni 2009 tot 11 oktober 2009 te laat heeft plaatsgevonden had de rechtbank het Uwv moeten veroordelen tot vergoeding van die schade, bestaande in wettelijke rente. Nu de rechtbank dat niet heeft gedaan kan de aangevallen uitspraak in zoverre geen stand houden.

5. Omdat het dagloon in het in 3.2 genoemde besluit van 17 december 2010 hangende hoger beroep opnieuw is verhoogd en appellant zich daarmee niet kan verenigen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, dat besluit in het geding betrekken, daarover eerst een oordeel geven en vervolgens onder 6 beslissen over de te vergoeden wettelijke rente over de werkloosheidsuitkering.

5.1. Bij het besluit van 17 december 2010 heeft het Uwv het dagloon nader vastgesteld en alsnog rekening gehouden met de overwerkvergoeding die appellant in de periode van 25 oktober 2008 tot en met 31 december 2008 heeft ontvangen. Dit heeft geleid tot een verhoging van het dagloon van € 42,87 naar € 59,32. Ter toelichting van het besluit van 17 december 2010 heeft het Uwv gesteld dat eerst vanaf 25 oktober 2008 sprake was van loon dat vorderbaar maar niet tevens inbaar was. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de gehele referteperiode heeft overgewerkt en stelt zich op het standpunt dat ook de overwerkvergoeding over de periode van 1 januari 2008 tot 25 oktober 2008 relevant is voor de berekening van het dagloon.

5.2. In artikel 45, eerste lid, van de WW is bepaald dat voor de berekening van de uitkering waarop op grond van hoofdstuk II van de WW recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

In artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, voor zover van belang, is bepaald dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.

5.3. Appellant heeft niet langer bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de referteperiode door het Uwv op de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008. Het geschil beperkt zich tot het voor de vaststelling van het dagloon buiten beschouwing laten van de overwerkvergoeding over de periode van 1 januari 2008 tot 25 oktober 2008.

5.4. Vast staat dat appellant in de periode van 1 januari 2008 tot 25 oktober 2008 veel overwerk heeft verricht en aanspraak had op overwerkvergoeding. Ook staat vast dat de werkgever de overwerkvergoeding niet heeft uitbetaald. Er was dus sprake van loon dat vorderbaar was. Uit de stukken blijkt niet dat appellant zijn werkgever op enig moment heeft aangesproken op het niet betalen van de overwerkvergoeding. Appellant heeft ter zitting erkend dat hij een dergelijke actie niet heeft ondernomen. Hij gaf er de voorkeur aan om op een hem passend moment de overuren te compenseren met vrije tijd. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat appellant niet heeft aangetoond dat de overwerkvergoeding over de periode van 1 januari 2008 tot 25 oktober 2008 niet inbaar was. Het Uwv heeft om die reden bij de berekening van het dagloon terecht geen rekening gehouden met die vergoeding. Aangezien appellant de berekening van het dagloon voor het overige niet heeft betwist komt de Raad tot het oordeel dat het beroep van appellant tegen het besluit van 17 december 2010 niet slaagt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Uit 4.2.3 tot en met 5.4 volgt dat de aan appellant te vergoeden wettelijke rente met betrekking tot de werkloosheidsuitkering beperkt moet blijven tot de vertragingsschade die is ontstaan als gevolg van de besluiten van 10 april 2009 en 2 oktober 2009. De Raad zal daarom, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het Uwv veroordelen tot vergoeding van die renteschade. De Raad stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op 1 juni 2009. Voor de verdere berekening verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

7. Voor een proceskostenveroordeling in het hoger beroep over de werkloosheidsuitkering bestaat geen aanleiding. Uit 4.1.5 volgt al dat de reiskosten voor het bijwonen van de zitting bij de Raad moeten worden vergoed. Van andere op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in het geding met betrekking tot de faillissementsuitkering voor zover het verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen en niet is beslist op het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding; Vernietigt de aangevallen uitspraak in het geding met betrekking tot de werkloosheidsuitkering voor zover niet is beslist op het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding en bevestigt die uitspraak voor zover het verzoek om vergoeding van proceskosten in dat geding is afgewezen;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 december 2010, voor zover dat ziet op de werkloosheidsuitkering, ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als aangegeven in de overwegingen 4.1.4 en 6;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 23,49;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

EK