Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
10-3888 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering niet-verantwoord persoonsgebonden budget. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaar. Het besluit van 26 maart 2008 is verzonden naar het op dat moment bij het Zorgkantoor bekende adres van appellant.

Niet horen in bezwaar: Met het gebruik van het woord ‘kennelijk’ in onder andere onderdeel b van artikel 7:3 van de Awb is tot uitdrukking gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien wanneer uit het bezwaarschrift aanstonds blijkt dat in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is. Geen begin van bewijs van telefonische mededeling verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3888 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 juni 2010, 09/1765 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

Zorgkantoor Amsterdam (hierna: Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Voor appellant is I.T. Martens verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het Zorgkantoor aan appellant meegedeeld dat van hem € 3.366,14 aan verleend, maar niet-verantwoord persoonsgebonden budget wordt teruggevorderd.

1.2. Tegen het besluit tot terugvordering heeft appellant op 20 april 2009 een bezwaarschrift ingediend.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2008 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de in artikel 6:7 vermelde termijn van zes weken aan met ingang van de dag waarop dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2010, LJN BO/1582, heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het juiste adres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.

4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat hij van zijn verhuizing telefonisch mededeling zou hebben gedaan aan het Zorgkantoor. Deze stelling is niet met feiten onderbouwd en nu van de zijde van het College is verklaard dat van zodanige telefonische mededeling niets bekend is, gaat (ook) de Raad aan die stelling voorbij.

4.4. Nu het besluit van 26 maart 2008 is verzonden naar het op dat moment bij het Zorgkantoor bekende adres van appellant, is de Raad van oordeel dat het besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 27 maart 2008 een aanvang heeft genomen en dat de zesweken-termijn door appellant op 20 april 2009 ruimschoots is overschreden.

4.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kan voorts geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.6.1. Voor wat betreft de grond dat het Zorgkantoor appellant ten onrechte in verband met zijn bezwaar niet heeft gehoord overweegt de Raad als volgt.

4.6.2. Ingevolge artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad - bijvoorbeeld de uitspraak van 18 maart 2004, LJN AO7614 - dienen de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief te worden uitgelegd. Met het gebruik van het woord ‘kennelijk’ in onder andere onderdeel b van artikel 7:3 van de Awb is tot uitdrukking gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien wanneer uit het bezwaarschrift aanstonds blijkt dat in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is.

4.6.3. De Raad stelt vast dat door en namens appellant in bezwaar is aangevoerd dat hij het Zorgkantoor telefonisch van zijn verhuizing op de hoogte heeft gebracht. Nu appellant heeft volstaan met te stellen dat genoemd telefoongesprek heeft plaatsgevonden en daarvoor geen begin van bewijs heeft aangedragen en het Zorgkantoor van het gestelde telefoongesprek geen bevestiging heeft kunnen vinden, heeft het Zorgkantoor van het horen in bezwaar kunnen afzien.

4.6.4. Met appellant stelt de Raad verder vast dat de rechtbank niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde grond dat het Zorgkantoor appellant ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord. Nu blijkens hetgeen is overwogen onder 4.6.3 geen sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 7:3, van de Awb ziet de Raad ziet geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. de Jong.

HD