Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
10/1495 AW + 10/1496 AW + 10/4910 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim. Overplaatsing. Onbehoorlijk gedrag in de seksuele sfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1495 AW

10/1496 AW

10/4910 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2010, 08/2923 en 09/796 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 9 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 30 juli 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2011. Appellante is niet verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds november 2005 bij de politieregio [regio] werkzaam als [functie] van het Verkeershandhavingsteam binnen de afdeling Verkeerspolitie. Vanaf eind augustus 2007 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar ongewenst gedrag binnen het Verkeershandhavingsteam. Daarbij hebben verschillende verkeersassistenten zich met name beklaagd over hoofdmedewerker J, die collega’s lastig viel en seksueel intimideerde. Uit de verklaringen bleek verder dat ook appellante daarin een aandeel had. Naar aanleiding van het onderzoeksrapport van 3 oktober 2007 is appellante op 8 oktober 2007 met het oog op verdergaand onderzoek buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Medio november 2007 is dit bijzonder verlof ingetrokken en is appellante met tijdelijke werkzaamheden belast.

1.2. Na afronding van het onderzoek is appellante op 2 april 2008 het voornemen kenbaar gemaakt haar de disciplinaire straf van schriftelijke berisping op te leggen wegens plichtsverzuim, neerkomend op - in het voornemen omschreven - onbehoorlijk gedrag in de seksuele sfeer, welk gedrag onverenigbaar is met haar functie als hoofdmedewerker. Verder wordt appellante verweten dat ze als begeleider niet heeft ingegrepen in de sfeer die heerste binnen het verkeershandhavingteam en dat zij haar voorbeeldfunctie heeft miskend. Tevens is het voornemen uitgesproken appellante met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) te plaatsen in een functie zonder coördinerende taken. Die functie zal in overleg met appellante worden bepaald.

1.3. Nadat appellante haar zienswijze had kenbaar gemaakt, heeft de korpsbeheerder haar bij besluit van 9 juni 2008, onder verwijzing naar zijn eerdere overwegingen, de straf van schriftelijke berisping opgelegd en voorts besloten appellante te plaatsen bij de Regionale Recherche Dienst in de functie van rechercheur, een functie in (eveneens) salarisschaal 7.

1.4. Bij het bestreden besluit van 29 januari 2009 heeft de korpsbeheerder, overeenkomstig het advies van de Bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten, de bezwaren van appellante tegen de plaatsing in een functie zonder coördinerende taken niet-ontvankelijk verklaard, omdat het dienstverband van appellante inmiddels per 1 december 2008 op haar eigen verzoek is geëindigd. De bezwaren tegen de opgelegde berisping zijn in afwijking van het advies van de Bezwaarschriftencommissie ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij de bezwaren tegen de overplaatsing niet-ontvankelijk zijn verklaard, en het beroep tegen de disciplinaire straf ongegrond verklaard.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder bij besluit van 30 juli 2010, overeenkomstig een nieuw advies van de Bezwaarschriftencommissie, de bezwaren tegen de overplaatsing ongegrond verklaard.

4. Het hoger beroep is gericht tegen het instandlaten van de berisping. De korpsbeheerder heeft berust in de vernietiging. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep binnen dat kader tegen de aangevallen uitspraak hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de opgelegde disciplinaire straf. Ook voor de Raad staan de gedragingen zoals die zijn weergegeven in het rapport van 3 oktober 2007 van de chefs van het bureau Verkeershandhaving vast. Zo hebben vier medewerkers onafhankelijk van elkaar verklaard over het incident waarbij collega-begeleider J. appellante bij haar haren pakte, haar hoofd naar zijn kruis toebracht en “pijpen” zei, en hebben vijf medewerkers verklaard dat het is voor-ekomen dat J. op de werkvloer tegen appellante stond “aan te rijden”. Ook is verklaard - en door appellante erkend - dat J. enkele malen door de blouse heen haar bh-bandje losmaakte. In die situaties reageerde appellante slechts met lachen. Ook verklaren verschillende medewerkers dat appellante en J. over en weer allerlei seksueel getinte opmerkingen maakten.

4.2. Voor zover vooral sprake was van misdragingen op initiatief van J. en niet van appellante, staat voor de Raad vast dat appellante daarin is meegegaan en van die misdragingen onvoldoende afstand heeft genomen. Aldus heeft appellante zich aan plichtsverzuim schuldig gemaakt. De binnen de afdeling bestaande cultuur kan het gedrag van appellante niet rechtvaardigen, zeker niet nu het veeleer de rol van appellante als coach van de assistenten was om een dergelijke cultuur een halt toe te roepen. Ook in het licht van de - door de korpsbeheerder erkende - lange duur van het onderzoek acht de Raad de sanctie van schriftelijke berisping - de lichtste straf - daarom niet onevenredig aan het vaststaande plichtsverzuim van appellante. Het hoger beroep van appellante kan

- in zoverre - niet slagen.

5. Met betrekking tot het besluit van 30 juli 2010 dat de korpsbeheerder ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen en dat met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding in hoger beroep wordt betrokken, overweegt de Raad dat appellante met haar hiervoor besproken gedrag haar verantwoordelijkheid als coach van de groep verkeersassistenten ernstig heeft miskend. De Raad onderschrijft het standpunt van de korpsbeheerder dat vanwege dit gedrag het belang van de dienst vorderde dat zij een andere functie ging vervullen. De verziekte cultuur binnen de afdeling moest immers worden veranderd. Appellante erkent intussen dat ze niet meer terug kan keren naar het Verkeershandhavingsteam.

5.1. Artikel 64 van het Barp schrijft voor dat de verplichting een andere functie te aanvaarden redelijk moet zijn in verband met persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten van de betrokkene. Het standpunt van appellante dat daaraan niet wordt voldaan omdat de opgedragen functie als rechercheur geen coördinerende taken omvat, onderschrijft de Raad niet. Het miskennen van haar verantwoordelijkheid als coördinator/coach vormde immers de aanleiding tot de overplaatsing. De functie waarnaar appellante werd overgeplaatst, was er een van een gelijk salarisniveau. Voor het overige heeft appellante geen gronden aangevoerd waarom juist de functie bij de recherche niet aan haar kon worden opgedragen. Ook het beroep dat appellante geacht wordt tegen het besluit van 30 juli 2010 te hebben ingesteld slaagt daarom niet.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD