Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
10-1441 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering Wubo-uitkering. Geen erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Niet aannemelijk dat er sprake is geweest van levensgevaar voor of tijdens de vluchtsituaties in de Bersiap-periode. De gebeurtenissen in de jaren 1950-1952 vallen niet onder de werking van de Wubo omdat die wet zich slechts uitstrekt over de na-oorlogse periode tot 27 december 1949.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1441 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 9 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 januari 2010, kenmerk BZ 9226, JZ/H60/2010, verder: bestreden besluit. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2011. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1941 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in december 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant gewezen op de volgende oorlogsgebeurtenissen:

I. het tijdens de Bersiap-periode meemaken van ongeregeldheden in de Sumatrastraat te Bandoeng;

II. het tijdens de Bersiap-periode (verschillende malen) moeten vluchten in Bandoeng;

III. het meemaken van (verschillende) gebeurtenissen in Lahat.

1.2. Bij besluit van 31 juli 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Verweerder heeft daartoe overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden die zich hebben voorgedaan tot 27 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Uit het bepaalde in artikel 2 van de Wubo volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in dat artikel. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan een rol spelen. Verweerder heeft dan ook terecht in de eerste plaats beoordeeld of bij appellant sprake is geweest van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

2.3. Met betrekking tot het onder 1.1 (I) gestelde is de Raad met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat appellant bij de ongeregeldheden direct betrokken is geweest. Zo heeft appellant verklaard dat hij zich bevond in de ommuurde tuin en dat het lawaai en tumult hoorbaar was. Een specifieke aanduiding op welke wijze hij bij de ongeregeldheden betrokken is geweest ontbreekt. Zo heeft hij geen melding gemaakt van (materiële) schade in zijn directe nabijheid en/of slachtoffers in zijn directe omgeving dan wel dat hij zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of omkomen van naasten.

2.4. Voor wat betreft het onder 1.1 (II) genoemde is niet gesteld noch is uit de voorhanden gegevens van familieleden gebleken dat het vluchten in Bandoeng vanuit of onder direct levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Zo is het niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest levensgevaar voor of tijdens de vluchtsituaties. Er blijkt veeleer sprake te zijn geweest van vluchten uit voorzorg met het oog op het (telkenmale) verschuiven van de demarcatielijn. Het vluchten om zich te onttrekken aan een in het algemeen en voor iedereen bedreigende oorlogssituatie is geen gebeurtenis die onder de werking van de Wubo valt.

2.5. Met betrekking tot de onder 1.1. (III) genoemde gebeurtenissen heeft appellant gewezen op (ernstige) ongeregeldheden die hebben plaatsgevonden in Lahat. De gedingstukken laten zien dat het daarbij ging om gebeurtenissen in de jaren 1950-1952. Dat brengt mee dat die gebeurtenissen om die reden al niet onder de werking van de Wubo kunnen worden omdat die wet zich slechts uitstrekt over de na-oorlogse periode tot 27 december 1949. Daarmee is zeker niet miskend dat appellant in die jaren bedreigende en angstige omstandigheden heeft ervaren. De Wubo heeft echter een beperkte strekking hetgeen meebrengt dat de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer onder meer is gebonden aan de in die wet specifiek omschreven gebeurtenissen welke in een afgebakende periode moeten hebben plaatsgevonden. Verweerder noch de Raad heeft de mogelijkheid daarvan af te wijken.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD