Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
09/1388 WWB + 10/4014 WWB + 10/4015 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft aan haar beoordeling ten grondslag gelegd de arbeidskundige rapportages van Duijnmaijer en Schaap. Beiden concluderen dat appellant, gelet op de vastgestelde medische beperkingen, in staat moet worden geacht licht productiewerk te verrichten. Namens appellant is de stelling betrokken dat de werkzaamheden bij Pro Favor en Werkplan voor hem fysiek en psychisch te zwaar zijn. Niet is aangegeven op welke onderdelen de werkzaamheden te belastend zouden zijn, evenmin is daarvoor een onderbouwing aangedragen. De Raad ziet daarom aanleiding aan deze stelling voorbij te gaan. De Raad merkt daarbij nog op dat op 10 maart 2009 met appellant gesproken is over de werkzaamheden bij Werkplan en over de wijze waarop met de beperkingen van appellant bij het verrichten van deze werkzaamheden rekening zal worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1388 WWB

10/4014 WWB

10/4015 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2009, 08/4869, (hierna: aangevallen uitspraak 1), 16 juni 2010, 09/6273 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en 16 juni 2010, 09/7968 (hierna: aangevallen uitspraak 3)

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Voor appellant is verschenen mr. Westendorp. Het College heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 1 oktober 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op verzoek van het College heeft Hudson begin 2007 een medisch-arbeidskundig onderzoek verricht naar de mogelijkheden van appellant tot het verrichten van werkzaamheden. Bij rapportage van 26 maart 2007 is van dit onderzoek verslag gedaan. Verzekeringsgeneeskundige R. Mahadew heeft vastgesteld dat appellant bekend is met functionele beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek en dat deze beperkingen structureel van aard zijn. Hij heeft gerapporteerd dat appellant gevoelig is voor spanningen en daarom hoge werkdruk en een hoog werktempo moet vermijden. Arbeidsdeskundige A.J.M. Duijnmaijer (hierna: Duijnmaijer) heeft met in achtneming van de vastgestelde beperkingen een belastbaarheidspatroon opgesteld. Hij heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant, rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, volledig belastbaar is.

1.3. Bij brief van 18 oktober 2007 heeft consulent uitstroom Sociale Zaken N. Geerts appellant uitgenodigd voor het ondertekenen van een arbeidscontract met Pro Favor B.V. op 22 oktober 2007. Appellant heeft aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven. Bij rapportage van 31 oktober 2007 is vastgesteld dat appellant weigert de arbeidsovereenkomst te tekenen, omdat hij de werkzaamheden niet leuk vindt, schuldeisers hem lastig zouden vallen en er te veel buitenlanders op de werkvloer zouden zijn.

1.4. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2008 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Omdat sprake is van een herhaling van niet accepteren van betaalde arbeid binnen 12 maanden en appellant voor een periode van drie maanden in het eigen levensonderhoud had kunnen voorzien, is de periode bepaald op drie maanden.

1.5. Bij besluit van 28 mei 2008 (hierna: besluit 1) heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2008 gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen de periode waarover de afstemming plaatsvindt. In zoverre heeft het College het besluit van 11 februari 2008 ingetrokken en besloten de uitkering van appellant voor de duur van drie maanden met 100% te verlagen met ingang van 1 juni 2008. Voor het overige is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1. Op verzoek van het College heeft Salude Groep medio 2008 een medisch-arbeidskundig onderzoek verricht naar de mogelijkheden van appellant tot het verrichten van werkzaamheden. Bij rapportage van 1 augustus 2008 is van dit onderzoek verslag gedaan. Verzekeringsgeneeskundige K.M. van Tilburg heeft vastgesteld dat appellant bekend is met functionele beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek en dat deze beperkingen structureel van aard zijn. Hij heeft gerapporteerd dat appellant zowel fysieke als lichte psychische klachten heeft. Appellant is structureel beperkt met name in de rubrieken sociaal en persoonlijk functioneren. Vanwege zijn rugklachten is appellant tevens beperkt voor werkzaamheden waarbij hij moet tillen, duwen, trekken, bukken en of lang moet staan en zitten. Indien rekening wordt gehouden met genoemde beperkingen is appellant geschikt te achten voor het gedurende 40 uur per week verrichten van werkzaamheden, bestaande uit eenvoudige, gestructureerde taken met lage verantwoordelijkheid, met lage tijdsdruk, in vrij rustige omgeving, zonder conflicten in een vertrouwde groep collega’s. Arbeidsdeskundige J.G. Schaap (hierna: Schaap) heeft geconcludeerd dat appellant benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid heeft, mits rekening wordt gehouden met de lichamelijke dan wel psychische belastbaarheid van appellant. Hij heeft daarbij opgemerkt dat appellant ten aanzien deelname aan het reguliere arbeidsproces nu geen mogelijkheden heeft. Wel heeft hij appellant in staat geacht deel te nemen aan een Work First traject. Het Work First traject betreft licht produktie-achtig werk, waarbij een jobcoach dan wel stevige begeleiding vereist is.

3.2. Appellant heeft op 13 oktober 2008 een arbeidsovereenkomst met Werkplan detachering BV (hierna: Werkplan) ondertekend. Op grond van deze arbeidsovereenkomst treedt hij met ingang van 13 oktober 2008 in dienst bij Werkplan voor de duur van één jaar gedurende 26 uur per week.

3.3. Bij rapportage van 3 november 2008 heeft Werkplan bericht dat appellant zich op 14 oktober 2008 na een rondleiding en het verrichten van werkzaamheden na twee uur heeft ziek gemeld. Ten overstaan van de arboverpleegkundige heeft appellant op 16 oktober 2008 verklaard dat hij naar het werk is gegaan om te laten zien dat het niet gaat. Hij wil het niet weer proberen, omdat hij bang is na een uur werken weer pijn te krijgen. Bij brief van 3 november 2008 heeft Werkplan de arbeidsovereenkomst met appellant beëindigd.

3.4. Bij besluit van 15 januari 2009, dat bij besluit van 14 april 2009 is gewijzigd, heeft het College, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2009 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft weten te behouden.

3.5. Bij besluit van 27 juli 2009 (hierna: besluit 2) heeft het College het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 15 januari 2009 en 14 april 2009 ongegrond verklaard.

4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

5.1. Op 10 maart 2009 is appellant opnieuw aangemeld bij Werkplan. Met appellant is afgesproken dat hem opnieuw een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar met Werkplan zal worden aangeboden. Appellant is uitgenodigd de arbeidsovereenkomst te ondertekenen op 19 maart 2009. Bij rapportage van 6 april 2009 is vastgesteld dat appellant aan deze uitnodiging geen gehoor heeft gegeven. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij nu al weet dat hij na een paar uur weer naar huis zal gaan in verband met nekpijn. Naar zijn mening had de Sociale Dienst informatie moeten opvragen bij zijn huisarts en de chiropraktor.

5.2. Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2009 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Omdat sprake is van een herhaling van niet accepteren van betaalde arbeid binnen 12 maanden en appellant voor een periode van drie maanden in het eigen levensonderhoud had kunnen voorzien is de periode bepaald op drie maanden.

5.3. Bij besluit van 7 oktober 2009 (hierna: besluit 3) heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2009 ongegrond verklaard.

6. Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

7. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1. De Raad stelt op grond van gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat de gedingen in hoger beroep beperkt zijn tot de vraag of het College appellant, uitgaande van de vastgestelde medische beperkingen, op goede gronden in staat heeft geacht tot het verrichten van werkzaamheden bij Pro Favor BV en bij Werkplan.

8.2. Het College heeft aan haar beoordeling ten grondslag gelegd de arbeidskundige rapportages van Duijnmaijer en Schaap. Beiden concluderen dat appellant, gelet op de vastgestelde medische beperkingen, in staat moet worden geacht licht productiewerk te verrichten. Namens appellant is de stelling betrokken dat de werkzaamheden bij

Pro Favor en Werkplan voor hem fysiek en psychisch te zwaar zijn. Niet is aangegeven op welke onderdelen de werkzaamheden te belastend zouden zijn, evenmin is daarvoor een onderbouwing aangedragen. De Raad ziet daarom aanleiding aan deze stelling voorbij te gaan. De Raad merkt daarbij nog op dat op 10 maart 2009 met appellant gesproken is over de werkzaamheden bij Werkplan en over de wijze waarop met de beperkingen van appellant bij het verrichten van deze werkzaamheden rekening zal worden gehouden.

8.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken niet slagen.

9. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. de Jong.

HD