Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10-5063 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ontslagbrief van appellant kan niet anders worden gezien dan als de afronding van een periode van onderhandelingen tussen de werkgever en appellant over de wijze van invulling van de functie van appellant en de vraag of op vruchtbare wijze verder functioneren van appellant op de school mogelijk zou zijn. Van een ontslag door of op verzoek van appellant geen sprake en is appellant niet verwijtbaar werkloos geworden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/205 met annotatie van mr. dr. S.S.M. Peters
Module Ambtenarenrecht 2011/1469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5063 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2010, 09/3153 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Marges, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Schiedam (de werkgever) heeft desgevraagd laten weten niet deel te nemen aan de procedure in hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Marges. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was in dienst van de werkgever als onderwijsassistent/beheerder studieruimte werkzaam bij de [de school] (de school). Appellant heeft zich op 25 maart 2008 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft appellant met ingang van 9 juni 2008 hersteld gemeld. Appellant heeft een outplacementtraject gevolgd van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008. Aan appellant is aansluitend, volgens de akte van ontslag op eigen verzoek, eervol ontslag verleend met ingang van 1 januari 2009.

2. Appellant heeft uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd die hem bij besluit van 19 januari 2009 ingaande 1 januari 2009 is toegekend. Het Uwv heeft bij besluit van 4 augustus 2009 (het bestreden besluit) het bezwaar van de werkgever tegen dit besluit van 19 januari 2009 gegrond verklaard en de WW-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 6 augustus 2009. Appellant wordt verwijtbaar werkloos geacht omdat hij de dienstbetrekking met de werkgever heeft beëindigd terwijl aan de voortzetting daarvan niet zodanige bezwaren waren verbonden dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

3. Het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht aangenomen dat appellant het initiatief heeft genomen tot beëindiging van zijn dienstverband door te kiezen voor de optie van een outplacementtraject van zes maanden, gevolgd door vrijwillig ontslag, als één van drie door de werkgever aan hem voorgehouden keuzes.

4. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij zodanig ernstige aan het werk gerelateerde klachten had, dat hij niet terug kon keren bij de werkgever, welke klachten bovendien maakten dat hij niet helder heeft kunnen nadenken over de aan hem voorgehouden keuzes noch over de gevolgen van die keuzes.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid dienen alle feiten en omstandigheden te worden betrokken die tot het ontslagbesluit hebben geleid.

5.2. Appellant heeft zich ziek gemeld met spanningsklachten die in verband stonden met zijn werkzaamheden als beheerder studieruimte. Aan de verzuimconsulent van de werkgever heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij problemen had met de werkdruk, de omvang van de groepen leerlingen en dat hij het moeilijk vond om orde te houden. Hij heeft het advies gekregen ontspanning te zoeken en zich voor gesprekken tot een psycholoog te wenden. In een gesprek met appellant op 15 mei 2008 heeft de verzuimconsulent zijn opvatting herhaald dat hervatting in het eigen werk wellicht mogelijk zou zijn als appellant hierbij adequate hulp krijgt en met halve dagen kan beginnen.

5.3. In een gesprek met zijn leidinggevende heeft appellant geen overeenstemming kunnen bereiken over te verrichten passende werkzaamheden. Volgens appellant was de werkgever wel bereid hem andere dan de gebruikelijke taken uit te laten voeren maar zou dat wel moeten gebeuren in de studieruimte, waarin appellant zich niet prettig voelde.

5.4. De bedrijfsarts van de werkgever heeft appellant onderzocht op 5 juni 2008 en hem met ingang van 9 juni 2008 in staat geacht om zijn eigen werkzaamheden weer volledig te hervatten. Volgens de bedrijfsarts was niet langer sprake van ziekte. Appellant heeft het advies gekregen om zelf meer initiatief te nemen om de onvrede over zijn functie dan wel de functie-inhoud weg te nemen.

5.5. Appellant heeft op 9 juni 2009 met de rector van de school gesproken over zijn werkhervatting. Er is geen werkplek gevonden die naar de mening van appellant voor hem geschikt was. Appellant heeft niet in eigen of aangepaste werkzaamheden hervat. Op verzoek van de rector is appellant uitgenodigd voor een gesprek met mevrouw [naam personeelsconsulent], personeelsconsulent van de werkgever. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Appellant heeft in dit gesprek te kennen gegeven dat hij het niet meer kan opbrengen om zijn functie naar behoren uit te voeren, dat hij het werk niet prettig meer vindt en wat anders wil gaan doen, buiten het onderwijs. Hierop heeft [de personeelsconsulent] appellant een drietal oplossingen voor de ontstane situatie voorgehouden, te weten 1) hervatten in de eigen functie, 2) niet hervatten met als gevolg oneervol ontslag en geen recht op een uitkering en 3) vrijwillig ontslag nemen en hulp krijgen bij het vinden van een andere baan.

5.6. In een vervolggesprek met [de personeelsconsulent] op 30 juni 2008 heeft appellant het aanbod van de werkgever geaccepteerd om met ingang van 1 juli 2008 met behoud van salaris vrijgesteld te worden van het verrichten van werkzaamheden voor de school en een outplacementtraject te doorlopen gedurende de periode van 1 juli 2008 tot en met

31 december 2008 bij Loyalis Mens en Werk. Aan dit aanbod was de voorwaarde verbonden dat appellant met ingang van 1 januari 2009 ontslag zou nemen. Appellant heeft zijn ontslagbrief op 1 juli 2008 aan [de personeelsconsulent] overhandigd. Op diezelfde dag heeft de werkgever in een akte van ontslag zijn besluit neergelegd om aan appellant met ingang van 1 januari 2009 eervol ontslag te verlenen wegens eigen verzoek.

5.7. De ontslagbrief van appellant kan niet anders worden gezien dan als de afronding van een periode van onderhandelingen tussen de werkgever en appellant over de wijze van invulling van de functie van appellant en de vraag of op vruchtbare wijze verder functioneren van appellant op de school mogelijk zou zijn. Appellant heeft met zijn werkgever overeenstemming bereikt over de beëindiging van de arbeidsrelatie nadat herhaaldelijk was gesproken over de problemen die hij in zijn werk had ondervonden, en die volgens hem eraan in de weg stonden om te hervatten, en de (on)mogelijkheden die de werkgever zag om die problemen op te lossen. Omdat bij de werkgever voor appellant geen voor hem geschikt werk in een wat rustiger omgeving voorhanden was en de werkgever appellant duidelijk had gemaakt dat de dienstbetrekking door de werkgever zou worden beëindigd als appellant zou besluiten niet te hervatten, bleef voor appellant feitelijk slechts over te kiezen voor het volgen van het door de werkgever voorgestelde outplacementtraject. In die context moet de ontslagbrief van appellant ook niet afzonderlijk worden bezien en komt ook geen doorslaggevende betekenis toe aan de letterlijke bewoordingen van de – gedeeltelijk door de werkgever opgestelde – ontslagbrief. Appellant heeft een aan hem door de werkgever gedaan voorstel aanvaard waarvan de aanlevering van een ontslagbrief onderdeel was.

5.8. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Raad van een ontslag door of op verzoek van appellant geen sprake en is appellant niet verwijtbaar werkloos geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Omdat op het bezwaar van de werkgever, gelet op diens gronden en op het oordeel van de Raad dat hier geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, nog slechts op één wijze kan worden beslist in die zin dat het Uwv zijn besluit van 19 januari 2009 handhaaft, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet

bestuursrecht, bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 augustus 2009.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep, in totaal € 1.518,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get) H.G. Rottier.

(get) R.L. Venneman.

NK