Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
09-3845 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Maatstaf arbeid. Er is geen aanleiding om hetgeen de bezwaarverzekeringsarts over de medische aspecten heeft vermeld in genoemde rapporten, voor onjuist te houden. Het is niet aannemelijk dat appellant (...) vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was zijn arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3845 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2009, 09/320 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 22 april 2011 heeft mr. Van der Kleij de gronden van het hoger beroep nader toegelicht en nieuwe stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellant is, na berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de overwegingen uit de aangevallen uitspraak.

1.2. In aanvulling daarop merkt de Raad het volgende op.

Bij besluit van 13 maart 2008 is appellant per 14 maart 2008 niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet (ZW) en is om die reden zijn recht op ziekengeld toen beëindigd. Bij besluit op bezwaar van 5 februari 2009 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv het tegen het besluit van 13 maart 2008 gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

1.3. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant zich per 4 februari 2008 heeft ziek gemeld toen hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving. Daarvoor verrichtte hij tot 28 oktober 2007 productiewerkzaamheden in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), in het Wsw-werkvervand [naam werkgever] te [vestigingsplaats], welke werkzaamheden als zijn arbeid dienen te worden aangemerkt, gelet ook op artikel 19, vijfde lid, van de ZW zoals dat luidde ten tijde in geding. Het Uwv is op grond van het rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 29 mei 2009 terecht tot de conclusie gekomen dat er geen bijzondere, niet kenmerkende, omstandigheden aan het werk zijn verbonden die bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot het verrichten van die arbeid buiten beschouwing moeten worden gelaten. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van een bezwaarverzekeringsarts, zoals weergegeven in rapporten van 4 februari 2009 en 5 mei 2009.

2. Appellant heeft - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv een onjuiste maatstaf voor zijn arbeid heeft gehanteerd en dat hij per 14 maart 2008 niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Hij heeft in dat kader naar voren gebracht dat een juiste toepassing van artikel 19, vijfde lid, van de ZW meebrengt dat het specifieke kenmerk van Wsw-werk, met name het ontbreken van tempodruk, buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.1. In het bestreden besluit - zoals nader toegelicht ter zitting - heeft het Uwv als maatstaf voor de arbeid die appellant heeft verricht als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW aangemerkt het laatstelijk verrichte werk, te weten de productiewerkzaamheden in het kader van de Wsw. De Raad acht geen grond aanwezig dit standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. In dit verband wijst de Raad er nog op dat het Uwv, omdat het dienstverband van appellant met zijn oude werkgever [naam werkgever] te [vestigingsplaats] was verbroken, na onderzoek ter zake heeft vastgesteld dat vergelijkbare productiewerkzaamheden bij een Wsw-bedrijf, zoals bijvoorbeeld bij SWB te Hengelo, aanwezig zijn. Met de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen, is de Raad van oordeel dat ook aan artikel 19, vijfde lid, van de ZW is voldaan. De in een reguliere baan in het algemeen als bijzonder aan te merken omstandigheden die behoren bij het aanpassen van de werkzaamheden aan de beperkingen van een werknemer, (zoals het minder nadruk leggen op het werktempo) dienen in het kader van werkzaamheden verricht in Wsw-verband als “gewoonlijk kenmerkend” voor die arbeid te worden aangemerkt bij een soortgelijke werkgever in de zin van die bepaling.

3.2. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding hetgeen de bezwaarverzekeringsarts over de medische aspecten heeft vermeld in genoemde rapporten, voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts waarin hij aangeeft dat niet aannemelijk is dat appellant op 14 maart 2008 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Uit de beschikbare gegevens is voorts af te leiden dat de bezwaarverzekeringsarts op de hoogte was van de van belang zijnde informatie uit de behandelend sector. De Raad stelt vast dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd die doet twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit acht de Raad juist en hij neemt deze geheel over. Hieraan doet niet af dat uit de bij brief van 22 april 2011 overgelegde gegevens blijkt dat bij besluit van 18 september 2009 aan appellant een Wsw-indicatie is geweigerd onder de overweging dat hij door zijn beperkingen, ook niet met aanpassingen, niet kan werken via de Wsw. De Raad stelt vast dat deze weigering ziet op een datum die is gelegen ruim na de datum hier in geding.

3.3. Uit de overwegingen 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ