Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
09-2807 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen bankrekening .Overschrijding vermogengrens. Intrekking en terugvordering bijstand. Uitkering schadevergoeding. Niet bewezen lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2807 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 april 2009, 08/5015 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.W. Peters, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. D. Zeewuster, advocaat te Arnhem, heeft zich gesteld als opvolger van mr. Peters.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2011. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 26 augustus 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Uit een onderzoek - naar aanleiding van een bestandsvergelijking met de Belastingdienst - is gebleken dat appellante sinds 29 juli 2005 een niet door haar opgegeven bankrekening bij de Fortisbank (hierna: bankrekening) op haar naam had staan en dat het daarop staande tegoed de grens van het vrij te laten vermogen ruimschoots overtrof. Op deze rekening is op 2 augustus 2005 € 20.000,-- gestort en zijn in september 2005 een drietal stortingen van in totaal € 12.000,-- gedaan, waarna het tegoed is opgelopen tot € 36.456,13 in maart 2008.

1.3. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het College, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 29 juli 2005 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van de over de periode van 29 juli 2005 tot en met 31 maart 2008 verleende bijstand tot een bedrag van € 41.932,56 van appellante teruggevorderd.

1.4. Hangende het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2008 heeft appellante een brief van ABN AMRO Schadeverzekering N.V. van 2 september 2005 overgelegd. Bij deze brief is aan appellante meegedeeld dat de schade aan inboedel en sieraden - naar aanleiding van een brand in haar woning in juni 2005 - is vastgesteld op € 22.785,-- en dat rekening houdend met de reeds verstrekte voorschotten van in totaal € 10.000,-- nog een bedrag van € 12.785,-- aan haar is overgemaakt.

1.5. Bij besluit van 29 september 2008 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering is verlaagd tot een bedrag van € 36.117,--, en het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand afgewezen. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting verzuimd heeft mededeling te doen van het feit dat zij beschikte over vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen waardoor zij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. De verlaging van het bedrag van de terugvordering berust op het beleid van het College dat dit bedrag niet hoger mag zijn dan de maximale vermogensoverschrijding. Bij de vaststelling van het vermogen zijn betrokken de onder 1.2 genoemde storting van € 20.000,-- en het onder 1.4 genoemde bedrag van € 22.785,--. Het door appellante nog te verwerven vermogen van € 6.668,-- is hierop in mindering gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank het op de bankrekening gestorte bedrag van € 20.000,-- ten onrechte tot haar vermogen heeft gerekend, nu het een lening met afbetalingsverplichting betreft van haar moeder bestemd voor de aanschaf van een nieuwe inboedel na de brand in de woning van appellante in juni 2005.

4.1.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.1.2. Naar het oordeel van de Raad is appellante niet in deze bewijslast geslaagd. Het summiere contract dat appellante achteraf in bezwaar heeft overgelegd ten bewijze van de lening van haar moeder, is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat dit contract niet te rijmen is met de op 15 april 2008 bij de sociale recherche door appellante afgelegde en ondertekende verklaring dat het geld op de bankrekening van haar familie uit Polen is, haar familie het geld contant heeft gebracht, het totaalbedrag op de rekening niet het beginbedrag is, het in delen is gegaan en men in Polen niet zoveel geld op de rekening kan hebben. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het College het tegoed op de bankrekening van appellante terecht tot haar vermogen heeft gerekend.

4.2. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de inboedel grotendeels nog moest worden aangeschaft en het al dan niet aanschaffen van een nieuwe inboedel niet relevant is, nu het College de situatie had dienen te beoordelen naar het moment van ontvangst van de schadevergoeding. Daarnaast is het oordeel van de rechtbank dat de schadevergoeding van € 22.785,-- tot het vermogen moet worden gerekend, naar de opvatting van appellante onbegrijpelijk voor zover dat oordeel wordt onderbouwd met de overweging dat het geld op de bankrekening niet kan worden herleid.

4.2.1. De rechtbank heeft ten aanzien van de schadevergoeding van € 22.785,-- terecht vastgesteld dat niet is gebleken wanneer en op welke wijze de voorschotten van € 2.500,-- en € 7.500,-- zijn uitgekeerd en op welk rekeningnummer het resterende bedrag van € 12.785,-- is overgemaakt. Ook in hoger beroep heeft appellante hierover op geen enkele wijze opheldering verschaft. De rechtbank heeft ook terecht vastgesteld dat de herkomst van de stortingen op de bankrekening in september 2005 niet is te achterhalen. Of er een relatie is tussen de gestorte bedragen en de uitgekeerde schadevergoeding, is derhalve onduidelijk gebleven. De rechtbank heeft er voorts terecht op gewezen dat appellante niet met verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat de schadevergoeding is aangewend voor een nieuwe inboedel. Gelet op het ruime tijdsverloop tussen de uitkering van de schadevergoeding en de besluitvorming van het College, de omstandigheid dat appellante niet met verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat de schadevergoeding is aangewend voor een nieuwe inboedel en appellante ook overigens geen inzicht heeft gegeven in de aanwending van de schadevergoeding, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College dit bedrag terecht tot het vermogen van appellante heeft gerekend. De Raad stelt vast dat appellante ook hierover in hoger beroep op geen enkele wijze opheldering heeft verschaft. Het voorgaande brengt tevens mee dat het oordeel van de rechtbank, anders dan appellante, geenszins onbegrijpelijk is.

4.3. De Raad stelt vast dat het College bij de berekening van de vermogensoverschrijding en het terugvorderingsbedrag de gestorte € 20.000,-- en de schadevergoeding van € 22.785,-- in aanmerking heeft genomen en daarop het door appellante nog te verwerven vermogen van € 6.668,-- in mindering heeft gebracht. Dit betekent dat van het saldo op de verzwegen bankrekening alleen de storting van € 20.000,-- in aanmerking is genomen en dat de drie stortingen in september 2005 van in totaal € 12.000,-- buiten beschouwing zijn gelaten. Hiermee is appellante niet tekort gedaan. Het standpunt van appellante dat ten onrechte € 36.117,-- van haar is teruggevorderd, kan de Raad derhalve niet onderschrijven. Voor zover appellante van opvatting is dat haar bij de terugvordering een betalingstermijn had moeten worden gegund en het College niet direct tot invordering had mogen overgaan, deelt de Raad die opvatting niet. Nu appellante over een aanzienlijk vermogen beschikte, had het College een gerechtvaardigd financieel belang om direct tot invordering over te gaan.

4.4. Ten aanzien van de stelling van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van een veroordeling van het College in de kosten die appellante in bezwaar heeft moeten maken, overweegt de Raad het volgende.

4.4.1. Bij het besluit op bezwaar van 29 september 2008 heeft het College overeenkomstig zijn terugvorderingsbeleid het primaire besluit van 15 april 2008 in zoverre gewijzigd dat het terug te vorderen bedrag is herzien en op een lager bedrag is vastgesteld. Dit betekent dat het besluit van 15 april 2008 deels is herroepen wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid waardoor sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt.

4.5. Uit hetgeen onder 4.4.1 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 29 september 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover hierbij het verzoek om vergoeding van de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken is afgewezen. De Raad zal het College in deze kosten veroordelen tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

5. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 september 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 september 2008 voor zover hierbij het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar is afgewezen;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J. van Dam.

HD