Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
08/5222 WAJONG-T + 09/2795 WAJONG-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De door de Raad benoemde deskundigen worden gevolgd. In het bijzonder doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van de deskundige Van Marle op het andersluidende oordeel van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De Raad volgt dan ook het oordeel van de deskundigen. De beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de FML van 24 juli 2007 zijn onjuist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5222 WAJONG-T + 09/2795 WAJONG-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juli 2008, 07/7848 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nieuw besluit op bezwaar van

13 augustus 2008 ingezonden.

Appellant heeft nadien nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.S.J. de Korte, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

Het onderzoek is heropend. Op verzoek van de Raad hebben psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle en psychiater in opleiding drs. M. Vermeiden als deskundigen op 15 november 2010 een rapport uitgebracht. Het Uwv en appellant hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht. Op deze stukken heeft prof. dr. Van Marle op verzoek van de Raad gereageerd.

Het Uwv heeft, onder overlegging van een reactie van een bezwaarverzekeringsarts nog commentaar geleverd op de reactie van prof. dr. Van Marle.

De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.1. Appellant is geboren [in] 1987. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 12 december 2006 afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat appellant op de dag dat hij 17 jaar oud was, niet arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat is verricht door bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn – die op 24 juli 2007 een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld – en een arbeidskundig onderzoek, verricht door bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 13 september 2007, onder toekenning van proceskosten en onder het geven van een opdracht tot het vergoeden van het betaalde griffierecht, gegrond verklaard, het besluit van 13 september 2007 vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en er evenmin aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan hun oordeel dat er bij appellant geen sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De rechtbank heeft echter de medische grondslag van het besluit van 13 september 2007 niet onderschreven, omdat het Uwv naar haar oordeel onvoldoende heeft onderzocht of een verdergaande beperking op het aspect handelingstempo noodzakelijk was.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich niet geschikt acht om regulier arbeid te verrichten, nu hij te zeer is aangewezen op individuele begeleiding en toezicht. Er is volgens hem voorts sprake van verdergaande beperkingen dan door het Uwv zijn aangenomen.

3.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts Van Duijn dossieronderzoek verricht en in het rapport van 6 augustus 2008 geconcludeerd dat de FML van 24 juli 2007 gehandhaafd wordt. Het Uwv heeft vervolgens het bezwaar van appellant bij besluit van 13 augustus 2008 wederom ongegrond verklaard.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Aangezien het besluit van 13 augustus 2008, dat naar aanleiding van de aangevallen uitspraak is genomen, niet geheel aan het beroep tegemoet komt, wordt op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

4.2. Met betrekking tot de vraag of de belastbaarheid van appellant op de juiste wijze is vastgesteld heeft de Raad prof. dr. Van Marle verzocht hem van advies te dienen.

4.3. Van Marle en Vermeiden hebben in hun rapport van 15 november 2010, in antwoord op vragen van de Raad, meegedeeld dat bij appellant op de datum in geding, 7 maart 2005, sprake was van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anders omschreven (PDD-NOS). De deskundigen kunnen zich niet verenigen met door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, als neergelegd in de FML van 24 juli 2007. Zij zijn van mening dat er aanvullende en verdergaande beperkingen aanwezig waren op de datum in geding. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat de door de deskundigen vermelde beperkingen niet te rijmen zijn met de door appellant verrichte werkzaamheden en de duurzame relatie die hij heeft met zijn partner.

4.4. Desgevraagd heeft Van Marle in een brief van 1 februari 2011 een reactie gegeven op de visie van de bezwaarverzekeringsarts. Van Marle ziet geen argumenten om de eerder vastgestelde diagnose en de daaruit voortkomende beperkingen te herzien. Hij wijst erop dat de door hem gestelde beperkingen wel degelijk aansluiten bij de beschreven praktijk waarin appellant figureert.

4.5. De Raad is van oordeel dat het onderzoek van de deskundigen zorgvuldig en volledig is. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. In het bijzonder doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van de deskundige Van Marle op het andersluidende oordeel van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De Raad volgt dan ook het oordeel van de deskundigen. Derhalve is genoegzaam vast komen te staan dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de FML van 24 juli 2007 onjuist zijn vastgesteld.

4.6. De Raad concludeert op basis van de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 dat het besluit van 13 augustus 2008 niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd. Het besluit van 13 augustus 2008 dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.7. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een – formele dan wel informele – bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

4.8. In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de in 4.5 aangeduide gebreken in het besluit van 13 augustus 2008 te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 13 augustus 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR