Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10-2169 NIOAW + 10-5009 NIOAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank mocht onder (de) omstandigheden onder verwijzing naar de uitspraak van de wrakingskamer op het eerste verzoek voorbij gaan aan het tweede verzoek om wraking zonder in strijd te komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Derdenbeslag. Onrechtmatige inhouding. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2169 NIOAW

10/5009 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 maart 2010, 09/665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 1 juli 2010 aan de Raad gezonden.

Appellant heeft bij brief van 1 augustus 2010 op het nadere besluit van 1 juli 2010 gereageerd.

Bij brief van 13 januari 2011 heeft het College vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het College, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Pilgram, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). De uitkering is met ingang van 1 januari 2009 beëindigd omdat appellant de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Op die uitkering werd ter zake van een door de Belastingdienst gelegd beslag vanaf

mei 2005 maandelijks een bedrag van € 80,78 ingehouden en aan de Belastingdienst afgedragen.

1.2. Op de uitkering over oktober 2008 heeft geen inhouding plaatsgevonden ter zake van een door de Belastingdienst gelegd beslag. Op de uitkering over november en december 2008 heeft het College weer wel een bedrag van € 80,78 ingehouden. Tegen deze inhoudingen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 20 maart 2009 heeft het College het bezwaar van appellant, voor zover het is gericht tegen de beslaglegging als zodanig, niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat het College als derde-beslagene is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven en de geldigheid en omvang daarvan niet mag beoordelen en dat appellant zijn bezwaren tegen het op zijn uitkering gelegd beslag kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Het College heeft het bezwaar van appellant, voor zover het is gericht tegen de inhouding op zijn uitkering, ongegrond verklaard omdat de inhouding binnen de grenzen van het op de uitkering gelegde beslag is gebleven.

1.4. Appellant heeft tegen het besluit van 20 maart 2009 beroep ingesteld. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 19 november 2009 is een op 16 november 2009 gedateerd verzoek van appellant om wraking van de rechter die de zaak zal behandelen ingekomen. Bij uitspraak van 11 januari 2010 heeft een wrakingskamer van de rechtbank het verzoek om wraking afgewezen en daarbij met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tevens bepaald dat een volgend verzoek om wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

1.5. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 11 februari 2010 is een op 8 februari 2010 gedateerd verzoek van appellant om wraking van de rechter die de zaak zal behandelen ingekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij voorbijgaat aan het verzoek om wraking van 8 februari 2010 aangezien de wrakingskamer bij uitspraak van 11 januari 2010 heeft bepaald dat een zodanig verzoek niet in behandeling wordt genomen. De rechtbank heeft verder overwogen dat niet is gebleken dat de Belastingdienst het beslag op de Ioaw- uitkering van appellant heeft opgeheven, dat in oktober 2008 abusievelijk ter zake van dat beslag geen inhouding op de uitkering heeft plaatsgevonden, dat het College de inhouding op de uitkering ten behoeve van dat beslag op juiste gronden heeft hervat en dat het College met de inhouding binnen de grenzen van het beslag is gebleven. Gelet op die overwegingen heeft het College het beroep tegen het besluit van 20 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat die uitspraak niet in stand kan blijven omdat hij de rechter die de uitspraak heeft gewezen heeft gewraakt. Verder heeft hij aangevoerd dat de inhouding op zijn uitkering ten onrechte heeft plaatsgevonden. Hij heeft daarbij een schrijven gevoegd van de ontvanger van de Belastingdienst van 9 oktober 2008 met de mededeling dat het beslag op de uitkering van appellant met onmiddellijke ingang is ingetrokken en dat het College daarvan telefonisch en schriftelijk op de hoogte is gesteld. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot vergoeding van schade ter hoogte van € 200.000,--.

4. Bij besluit van 1 juli 2010 heeft het College het besluit van 20 maart 2010 (lees: 2009) herzien en het bezwaar van appellant tegen de inhoudingen op zijn uitkering over november en december 2008 alsnog gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de melding van de Belastingdienst inzake de beëindiging van het beslag niet juist is verwerkt, op de Ioaw-uitkering over november en december 2008 ten onrechte een bedrag van € 80,78 is ingehouden en de ten onrechte ingehouden bedragen zo spoedig mogelijk aan appellant worden uitbetaald. Voorts heeft het College appellant meegedeeld wettelijke rente over de nabetaling uit te keren ter hoogte van € 16,-- en het door appellant bij de rechtbank en de Raad betaalde griffierecht ter hoogte van in totaal € 152,-- te vergoeden.

5. Appellant heeft tegen het besluit van 1 juli 2010 aangevoerd dat het College griffierechten heeft verzonnen zonder zich op feiten te baseren, onduidelijk is op welke wijze de renteschade is berekend, ten onrechte geen renteschade over de griffierechten is berekend en daarnaast belastingschade dient te worden vergoed. Appellant handhaaft zijn verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding ter hoogte van € 200.000,--.

6. De Raad komt met betrekking tot de aangevallen uitspraak tot de volgende beoordeling.

6.1. De beroepsgrond van appellant dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven omdat hij de rechter die de uitspraak heeft gewezen, heeft gewraakt treft geen doel. De Raad overweegt daartoe als volgt.

6.2. In artikel 8:18, vierde lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank in geval van misbruik kan bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

6.3. Vaststaat dat appellant in deze zaak twee verzoeken om wraking bij de rechtbank heeft ingediend. De wrakingskamer van de rechtbank heeft het eerste verzoek afgewezen, vastgesteld dat sprake is van misbruik en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Naar het oordeel van de Raad mocht de rechtbank onder die omstandigheden onder verwijzing naar de uitspraak van de wrakingskamer op het eerste verzoek voorbij gaan aan het tweede verzoek om wraking zonder in strijd te komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel

6.4. De Raad stelt vast dat ook het College zich inmiddels op het standpunt stelt dat de inhouding van € 80,78 op de uitkering van november en december 2008 ten onrechte heeft plaatsgevonden en dat het College in verband daarmee het besluit van 20 maart 2009 niet langer handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 20 maart 2009 vernietigen.

7. Met betrekking tot het besluit van 1 juli 2010 overweegt de Raad als volgt.

7.1. Het besluit van 1 juli 2010, behoudens voor zover daarbij een beslissing inzake de gevorderde schadevergoeding is genomen, dient als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb te worden aangemerkt. Nu met dat besluit niet geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.

7.2. De Raad stelt vast dat het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep verschuldigde griffierecht € 41,-- respectievelijk € 111,-- bedroeg. De Raad neemt aan dat appellant de verschuldigde griffierechten ook daadwerkelijk heeft betaald. Het College heeft dan ook terecht het door appellant in deze procedure betaalde griffierecht bepaald op € 152,--. De beroepsgrond dat het College griffierechten heeft verzonnen zonder zich op feiten te baseren treft dan ook geen doel.

7.3. Hetgeen onder 7.1 en 7.2 is overwogen brengt mee dat het beroep tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond moet worden verklaard.

8.1. Ten aanzien van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding stelt de Raad voorop dat hetgeen daaromtrent is meegedeeld bij het besluit van 1 juli 2010 als nader standpunt van College in de procedure wordt betrokken.

8.2. Het College heeft als gevolg van een onrechtmatige inhouding aan appellant over de maanden november en december 2008 een te laag bedrag aan Ioaw-uitkering betaald. De eerste dag waarop over het niet tijdig betaalbaar gestelde gedeelte van de Ioaw-uitkering over deze maanden wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 januari 2009 respectievelijk 1 februari 2009 en wel tot de dag van algehele voldoening. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 29 maart 2011, LJN BQ0064 en 14 december 2010, LJN BO8851.

8.3. Het College heeft in de bijlage bij het besluit van 1 juli 2010 en bij brief van 13 januari 2011 de berekening van het bedrag van de wettelijke rente toegelicht. Blijkens die toelichting heeft het College in overeenstemming met hetgeen onder 8.2 is overwogen de wettelijke rente over het ten onrechte niet uitbetaalde gedeelte van de uitkering over de maanden november en december 2008 berekend vanaf respectievelijk 1 januari 2009 en 1 februari 2009. Voorts is het College er bij de berekening van uitgegaan dat de nabetaling (uiterlijk) op 1 augustus 2010 heeft plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat de nabetaling na 1 augustus 2010 heeft plaatsgevonden. Ook overigens is niet gebleken dat het College het bedrag van de wettelijke rente verkeerd heeft berekend.

8.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 7 juli 2004, LJN AQ5516, heeft de regeling van het griffierecht in artikel 8:74 van de Awb een exclusief en limitatief karakter en bestaat geen ruimte om met toepassing van de regeling van de schadevergoeding in artikel 8:73 van de Awb wettelijke rente over griffierechten toe te kennen. Anders dan appellant is de Raad dan ook van oordeel dat het College terecht geen wettelijke rente over het door appellant betaalde griffierecht heeft toegekend.

8.5. Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie de uitspraak van 3 oktober 2002, LJN AF0902, dat belastingschade ten gevolge van een nabetaling ineens buiten de schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom valt en derhalve in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking kan komen. Voor een veroordeling tot vergoeding van deze belastingschade is een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt, een voorwaarde. Appellant heeft zo’n verzoek niet gedaan. Hij heeft zonder nadere onderbouwing gesteld dat belastingschade dient te worden vergoed.

8.6. De Raad is niet gebleken dat appellant door de onrechtmatige inhoudingen op zijn uitkering over november 2008 en december 2008 nog andere schade heeft geleden dan de in overweging 8.3 bedoelde renteschade. De Raad zal dan ook het verzoek van appellant om een veroordeling tot vergoeding van schade slechts toewijzen voor zover het renteschade betreft en het bedrag van die vergoeding bepalen op € 16,-- en het verzoek voor het overige afwijzen.

9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit 20 maart 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 maart 2009;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond;

Veroordeelt het College tot schadevergoeding, zoals in overweging 8.6 van deze uitspraak is aangegeven.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer

HD