Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
09-3188 WWB + 09-3189 WWB + 09-5273 WWB + 09-5275 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. De Raad heeft in de gedingstukken en hetgeen de gemachtigde van betrokkenen ter zitting van de Raad heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat betrokkene 1 gelet op haar persoon, achtergrond en voorgeschiedenis niet zonder meer aan haar verklaring kan worden gehouden. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat ten tijde in geding sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3188 WWB

09/3189 WWB

09/5273 WWB

09/5275 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 april 2009, 08/1676 en 08/1677 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden wonende te [woonplaats],

en

appellant

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens elk van betrokkenen heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat te Echt, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.W.M.J. Wijsma en J.M.C.P. Smit, beiden werkzaam bij de gemeente Echt-Susteren. Voor betrokkenen is verschenen mr. Jaminon.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene 1 ontving vanaf 3 juli 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van meldingen van medewerkers van de afdeling sociale zaken dat betrokkene 1 meerdere keren is waargenomen bij het boodschappen doen en op de markt in [plaatsnaam] in het gezelschap van een man met een auto, die op naam van betrokkene 2 staat, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene 1 verleende bijstand. In dat verband is de woning van betrokkene 1 geobserveerd in de periode van 20 maart 2008 tot en met 8 april 2008, heeft zij op 9 april 2008 een verklaring afgelegd en is aansluitend een huisbezoek afgelegd aan haar woning.

1.3. In de bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 22 april 2008, heeft appellant aanleiding gezien bij besluit van 24 april 2008 de bijstand van betrokkene 1 over de periode van 3 juli 2007 tot en met 29 februari 2008 in te trekken op de grond dat zij, zonder daarvan mededeling te hebben gedaan, met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat de gezamenlijke inkomsten hoger zijn dan de norm voor gehuwden, waardoor betrokkene 1 geen recht had op bijstand. Tevens zijn de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.172,99 van betrokkene 1 teruggevorderd en zijn die kosten bij besluit van eveneens 24 april 2008 mede van betrokkene 2 teruggevorderd.

1.4. Bij twee afzonderlijke besluiten van 28 augustus 2008 heeft appellant de bezwaren van betrokkenen tegen de besluiten van 24 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - de beroepen tegen de besluiten van 28 augustus 2008 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat appellant nieuwe besluiten neemt op de bezwaren met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe is overwogen dat de verklaring van betrokkene 1 van 9 april 2008 onvoldoende grondslag biedt voor de besluitvorming en dat hiervoor in overige onderzoeksbevindingen geen steun is te vinden. Voorts kan zij naar het oordeel van de rechtbank gelet op haar persoon, achtergrond en voorgeschiedenis niet zonder meer aan deze verklaring gehouden worden. Tevens hecht de rechtbank belang aan de stelling van betrokkene 1 dat zij jarenlang bijstand heeft ontvangen, terwijl zij steeds in dezelfde situatie heeft verkeerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat betrokkene 1 wel gehouden kan worden aan haar op 9 april 2008 afgelegde verklaring en dat deze verklaring, die steun vindt in de overige onderzoeksresultaten, voldoende grondslag biedt voor de besluitvorming. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij twee afzonderlijke besluiten van 25 augustus 2009 de bezwaren tegen de besluiten van 24 april 2008 opnieuw ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

4.2. Betrokkenen stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.3. Naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2009, LJN BK1252, mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Van zodanige bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken. Betrokkene 1 is bij brief van 31 maart 2008 uitgenodigd voor het rechtmatigheidsonderzoek op 9 april 2008. Blijkens het door haar ondertekende verslag van het verhoor op die datum is haar voorgehouden dat zij niet tot antwoorden verplicht was. Niet in geding is dat zij, nadat de verklaring was voorgelezen, heeft verklaard te volharden. Dat zij tijdens het verhoor enige druk heeft gevoeld is aannemelijk. De gedingstukken bieden echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd. De enkele stelling van betrokkene 1 dat zij tijdens het afleggen van de verklaring zodanig was geïmponeerd dat zij geen besef had van de aard en de inhoud van de vragen die zij heeft beantwoord, kan niet tot het oordeel leiden dat zij niet aan haar verklaring kan worden gehouden. De Raad heeft in de gedingstukken en hetgeen de gemachtigde van betrokkenen ter zitting van de Raad heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat betrokkene 1 gelet op haar persoon, achtergrond en voorgeschiedenis niet zonder meer aan haar verklaring kan worden gehouden.

4.4. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat ten tijde in geding sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring die betrokkene 1 op 9 april 2008 heeft afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij een relatie heeft met betrokkene 2 en dat zij elkaar nadat de kinderen uit huis zijn gegaan, dat is sedert vijf jaar, steeds meer zijn gaan ontmoeten. Sindsdien slaapt betrokkene 1 iedere nacht bij betrokkene 2, die ook in de woning van betrokkene 1 komt. Hetgeen betrokkene 1 heeft verklaard vindt steun in de bij haar woning verrichte observaties waarbij niemand is waargenomen bij de tien observaties, die in de avonduren zijn verricht. Dat bij het huisbezoek aan de woning van betrokkene 1 etenswaren, een eenpersoonsbed en geen persoonlijke bezittingen van betrokkene 2 zijn aangetroffen, is niet in strijd met de eerder bij het verhoor door betrokkene 1 afgelegde verklaring

4.5. De Raad is verder van oordeel dat ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat betrokkene 1 op 9 april 2008 heeft verklaard dat zij de maaltijden gebruiken op beider kosten en dat zij boodschappen doen met de auto van betrokkene 2. Voorts hebben betrokkenen aangevoerd dat zij elkaar over en weer ondersteuning bieden in verband met gezondheidsklachten en dat betrokkene 2 wel eens klussen opknapt in een rondom de woning van betrokkene 1. In de door betrokkenen overgelegde schriftelijke verklaring van G.H. [M.] van 29 juli 2009 dat hij al enkele jaren op woensdag met betrokkene 1 naar de markt in [plaatsnaam] gaat ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat voor de Raad vast dat betrokkenen ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Niet in geschil is dat betrokkene 1 hiervan geen mededeling heeft gedaan aan appellant, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ten gevolge hiervan heeft appellant betrokkene 1 over de periode in geding ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand verleend. De Raad gaat voorbij aan de stelling dat appellant - alvorens over te gaan tot intrekking van de bijstand - betrokkene 1 eerst een gewenningsperiode had moeten gunnen omdat hierin niet is voorzien in de WWB. De omstandigheid dat betrokkene 2 niet door de sociale recherche is gehoord betekent niet dat de besluitvorming van appellant onzorgvuldig was nu de onderzoeksbevindingen toereikend waren. Dit brengt mee dat appellant op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van betrokkene 1 over de in geding zijnde periode in te trekken.

4.7. De Raad volgt betrokkenen niet in de stelling dat betrokkene 1 jarenlang bijstand heeft ontvangen, terwijl zij steeds in dezelfde situatie heeft verkeerd. Een beroep op het vertrouwens- en/of rechtszekerheidsbeginsel, kan naar vaste rechtspraak, niet slagen indien de betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen. Dat laatste was hier het geval. Bovendien is deze stelling feitelijk onjuist omdat betrokkene 1 in de periode van 1 juli 1998 tot 3 juli 2007 geen bijstand heeft ontvangen en zij op 9 april 2008 heeft verklaard dat de relatie sedert vijf jaar intensiever is geworden.

4.8. Betrokkene 1 heeft de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking van bijstand, noch de bevoegdheid van appellant tot terugvordering en de uitoefening van die bevoegdheid bestreden. Evenmin heeft betrokkene 2 de bevoegdheid van appellant tot medeterugvordering van hem en de uitoefening van die bevoegdheid bestreden.

4.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen tegen de besluiten van

28 augustus 2008 ongegrond verklaren. De besluiten van 25 augustus 2009 dienen, omdat daaraan de grondslag is komen te ontvallen, te worden vernietigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 28 augustus 2008 ongegrond;

Vernietigt de besluiten van 25 augustus 2009.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB