Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
09/6874 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand: appellant heeft te lang in het buitenland verbleven. Het College had om redenen van zorgvuldigheid niet mogen volstaan met verzending van de brief van 18 november 2008 en het besluit van 15 december 2008 naar het bij het College bekende woonadres van appellant. Het College had in ieder geval ook een afschrift van de brief en het besluit naar het adres van [P.] moeten verzenden, ongeacht de vraag of [P.] als gemachtigde. Het besluit is niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. In aansluiting op (bijvoorbeeld) zijn uitspraak van 18 november 2003 (LJN: AN9715) is de Raad van oordeel dat de bezwaartermijn bij de kennisneming (na terugkomst in Nederland) is aangevangen. Ook in dat geval is de bezwaartermijn ruimschoots overschreden, nu het bezwaarschrift eerst op 15 juni 2009 bij het College is ingediend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6874 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 november 2009, 09/824 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. N. Hollander, advocaat te Groningen, zich als gemachtigde van appellant in het geding gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hollander. Tevens was aanwezig N.A.H.M. Selim, als tolk. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van 12 november 2008 heeft [P.] (hierna: P) op verzoek van appellant aan het College medegedeeld dat appellant niet op 13 november 2008 van zijn vakantieverlof kan terugkeren omdat hij in Irak het slachtoffer van een gewapende overval is geworden. Daarbij heeft hij letsel opgelopen en is ook zijn paspoort gestolen. Daarom moet worden verwacht dat de terugkeer van appellant nog minstens een week op zich laat wachten. [P.] vermeldt verder dat voor correspondentie daarover met hem contact kan worden opgenomen tot de terugkeer van appellant.

1.2. Het College heeft appellant bij brief van 18 november 2008, verzonden naar het bij het College bekende woonadres van appellant, uitgenodigd voor een gesprek op 26 november 2008 in verband met een onderzoek naar de uitkeringssituatie van appellant in verband met zijn vakantie.

1.3. Bij besluit van 15 december 2008, eveneens verzonden naar het bij het College bekende woonadres van appellant, heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 17 november 2008 ingetrokken op de grond dat hij te lang in het buitenland heeft verbleven.

1.4. Het College heeft bij besluit van 11 maart 2009 aan appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. De ingangsdatum van de bijstand is vastgesteld op 8 februari 2009 op de grond dat hij vanaf die datum weer in Nederland verblijft.

1.5. Appellant heeft op 15 juni 2009 een bezwaarschrift ingediend.

1.6. Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het College het bezwaar aangemerkt als gericht tegen het besluit van 11 maart 2009 en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten het beroep tegen het besluit van 14 juli 2009 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft bedoeld bezwaar te maken tegen het toekenningsbesluit van 11 maart 2009, maar tegen het intrekkingsbesluit van 15 december 2008, zodat het besluit van 14 juli 2009 op een onjuiste grondslag berust. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juli 2009 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten, omdat het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2008 niet-ontvankelijk is wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de bewoordingen van de brief van [P.] van 12 november 2008 niet kan worden afgeleid dat hij moest worden aangemerkt als de gemachtigde van appellant. De grond dat het besluit van 15 december 2008 (mede) aan [P.] bekend had moeten worden gemaakt, kan dan ook niet slagen. De rechtbank heeft voorts aannemelijk geacht dat eiser op 8 februari 2009 kennis heeft kunnen nemen van het besluit omdat hij vanaf die datum weer in Nederland verblijft. Gelet op het tijdsverloop tussen die datum en de datum waarop hij bezwaar heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat appellant het bezwaarschrift niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk heeft ingediend. In dit verband heeft de rechtbank ook overwogen niet aannemelijk te achten dat appellant door een medewerker van de gemeente Groningen zodanig is voorgelicht dat hij heeft moeten begrijpen dat hij tegen het besluit van 15 december 2008 geen bezwaar kon maken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2008 niet-ontvankelijk is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:8 van de Awb vangt de in artikel 6:7 vermelde termijn van zes weken aan met ingang van de dag waarop dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.2. Naar het oordeel van de Raad had het College om redenen van zorgvuldigheid niet mogen volstaan met verzending van de brief van 18 november 2008 en het besluit van 15 december 2008 naar het bij het College bekende woonadres van appellant. Het College had in ieder geval ook een afschrift van de brief en het besluit naar het adres van [P.] moeten verzenden, ongeacht de vraag of [P.] als gemachtigde als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Gelet op de inhoud van de brief van 12 november 2008 van [P.] had het College immers bekend moeten zijn dat appellant geen kennis kon nemen van aan hem gerichte brieven en besluiten en dat [P.] zijn contactpersoon was. De Raad is dan ook van oordeel dat het besluit van 15 december 2008 niet op of omstreeks die datum op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat de bezwaartermijn op dat moment nog niet is aangevangen.

4.3. Anders dan appellant meent, betekent het voorgaande echter niet dat de termijn om tegen het besluit van 15 december 2008 bezwaar te maken nooit is gaan lopen. Tussen partijen is immers niet in geschil dat appellant bij terugkeer in Nederland op 8 februari 2009 dan wel enkele dagen daarna wel kennis van het besluit heeft genomen. In aansluiting op (bijvoorbeeld) zijn uitspraak van 18 november 2003 (LJN: AN9715) is de Raad van oordeel dat de bezwaartermijn bij die kennisneming is aangevangen. Ook in dat geval is de bezwaartermijn ruimschoots overschreden, nu het bezwaarschrift eerst op 15 juni 2009 bij het College is ingediend.

4.4. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5. Indien een belanghebbende stelt dat het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift het gevolg is van een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, rust op hem de last de feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

4.6. Appellant voert in dit verband aan dat een medewerker van de gemeente Groningen hem op 26 februari 2009 heeft medegedeeld dat het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 15 december 2008 geen zin had omdat de bezwaartermijn al was verstreken. Nu hij in eerste instantie op deze mededeling is afgegaan, is hij van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.7. Bij brief van 9 september 2009, gericht aan appellant, heeft de betreffende medewerker, M.A. [P.] over het gesprek op 26 februari 2009 het volgende medegedeeld: “(…) Ik heb tijdens dit gesprek aan u medegedeeld dat u tegen ons besluit om uw uitkering te beëindigen in bezwaar kon gaan, maar dat dit naar mijn mening weinig zin had. Dit heb ik gezegd omdat de termijn om in bezwaar te gaan verstreken was. De verdere keus om wel of niet in bezwaar te gaan, lag bij uzelf. (…)”.

4.8. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant de juistheid van de weergave van het gesprek van 26 februari 2009 in deze brief niet betwist. Daarvan uitgaande heeft de betreffende medewerker naar het oordeel van de Raad geen dusdanige mededelingen gedaan dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest tijdig bezwaar te maken. Van mededelingen die er toe strekken dat appellant niet (meer) in bezwaar kon gaan, is immers niet gebleken. Voor zover appellant stelt dat hij hulp van derden nodig had om zijn belangen te behartigen omdat hij nauwelijks Nederlands spreekt, is de Raad van oordeel dat het voor zijn risico komt dat hij de hulp niet tijdig heeft ingeroepen. Ook overigens is de Raad niet gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. De rechtbank is naar het oordeel van de Raad daarom terecht tot het oordeel gekomen dat het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2008 niet-ontvankelijk is.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juli 2009 terecht in stand heeft gelaten en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

HD