Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10/5392 WIA + 10/5430 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Medische grondslag: De Raad stelt vast dat er bij betrokkene, blijkens de voorhanden zijnde medische gegevens, geen afwijkingen zijn vastgesteld op neurologisch dan wel psychiatrisch gebied. In dit verband is de Raad van oordeel dat de eventuele onduidelijkheid die bestaat doordat betrokkene zich om hem moverende redenen heeft afgewend van het door de rechtbank noodzakelijk geachte psychiatrisch expertiseonderzoek, niet ten voordele kan strekken van betrokkene. De Raad oordeelt voorts dat neuroloog Niewold niet heeft aangetoond dat de vastgestelde cognitieve deficiënties in een logisch en consistent verband staan met betrokkenes pijnklachten. De Raad onderschrijft in dit verband de conclusies van bezwaarverzekeringsarts Van Zelst zoals weergegeven in zijn rapportages van 8 december 2008, 2 november 2010 en 17 maart 2011. Geschiktheid functies: Ingeval de functie machinaal metaalbehandelaar aan de schatting komt te ontvallen, wijzigt het arbeidsongeschiktheidspercentage niet zodanig dat voor betrokkene alsnog recht zou ontstaan op een WIA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5392 WIA + 10/5430 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

en

[Betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 augustus 2010, 08/275 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

betrokkene.

Datum uitspraak: 17 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een rapportage van bezwaarverzekeringsarts P.A.M. van Zelst van 2 november 2010 overgelegd. Namens betrokkene heeft K. Abel, werkzaam bij Juricon Adviesgroep b.v. te Assen, eveneens hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 november 2010 heeft mr. L.J. van der Veen zich als opvolgend gemachtigde van betrokkene gesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 maart 2011 zijn namens betrokkene twee rapporten van neuroloog J.U.R. Niewold van 5 januari 2011 en 18 februari 2011 ingebracht. Namens appellant is hierop gereageerd met de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Van Zelst van 17 maart 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2011. Namens appellant is verschenen mr. D.R. Abdoelhak. Betrokkene was vertegenwoordigd door mr. Van der Veen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 maart 2008, waarbij is gehandhaafd het besluit van 22 mei 2007 inhoudende dat voor betrokkene per 25 juni 2007 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 6 maart 2008 vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit dient te nemen op de bezwaren van betrokkene. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij niet overtuigd is geraakt dat de medische grondslag van het besluit van 6 maart 2008, dat steunt op het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Zelst van 18 februari 2008, juist is. Dat er, zoals Van Zelst heeft aangegeven, geen lokale afwijkingen zijn gevonden die de pijnklachten van betrokkene zouden kunnen verklaren is de rechtbank uit de diverse medische stukken niet gebleken. Voorts heeft Van Zelst een te beperkte uitleg gegeven aan de uitspraak van de Raad van 31 augustus 1993 (LJN AL0026), door te stellen dat er voor het aannemen van cognitieve beperkingen sprake moet zijn van hersenletsel of een psychiatrische aandoening, aldus de rechtbank.

3.1. In zijn hoger beroep stelt appellant zich - kort gezegd - op het standpunt dat middels de uitgebrachte rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen het medische onderzoek zowel zorgvuldig voorbereid als deugdelijk is. Daarbij is zijn besluitvorming in overeenstemming met de jurisprudentie van de Raad. Appellant wijst in dit verband op de uitspraken van de Raad van 3 oktober 2008 (LJN BF6777) en 8 april 2009 (LJN BI1153).

3.2. Betrokkene is tegen de aangevallen uitspraak opgekomen, omdat de kosten die zijn gemaakt in verband met het neuropsychologisch onderzoek en het nader consult ten onrechte niet bij de proceskostenveroordeling zijn betrokken.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat met behulp van een neuropsychologisch onderzoek vastgestelde cognitieve tekorten op zichzelf wel betekenis kunnen hebben voor de beoordeling of er sprake is van beperkingen, maar dat daarvoor wel is vereist dat deze op grond van een medisch-specialistisch rapport kunnen worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. De bevindingen en cognitieve tekorten moeten een logisch en consistent verband houden met beperkingen voortvloeiend uit eigenschappen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek op neurologisch of psychiatrisch gebied (bijv. LJN BF6777).

4.3. Dat naar aanleiding van het neuropsychologisch onderzoek van psycholoog

M.H. Krijgsveld van 8 oktober 2007 cognitieve deficiënties zijn vastgesteld, is tussen partijen niet in geschil.

4.4. Betrokkene heeft in (hoger) beroep informatie ingebracht van neuroloog Niewold, die heeft beargumenteerd dat de lichamelijke klachten in verband staan met de cognitiegerelateerde problematiek.

4.5. De Raad stelt vast dat er bij betrokkene, blijkens de voorhanden zijnde medische gegevens, geen afwijkingen zijn vastgesteld op neurologisch dan wel psychiatrisch gebied. In dit verband is de Raad van oordeel dat de eventuele onduidelijkheid die bestaat doordat betrokkene zich om hem moverende redenen heeft afgewend van het door de rechtbank noodzakelijk geachte psychiatrisch expertiseonderzoek, niet ten voordele kan strekken van betrokkene. De Raad oordeelt voorts dat neuroloog Niewold niet heeft aangetoond dat de vastgestelde cognitieve deficiënties in een logisch en consistent verband staan met betrokkenes pijnklachten. De Raad onderschrijft in dit verband de conclusies van bezwaarverzekeringsarts Van Zelst zoals weergegeven in zijn rapportages van 8 december 2008, 2 november 2010 en 17 maart 2011.

4.6. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Dit brengt met zich dat de Raad de (overige) beroepsgronden alsnog dient te beoordelen.

5.1. Voor zover betrokkene stelt dat de uit zijn lichamelijke klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat, is de Raad van oordeel dat deze stelling onvoldoende steun vindt in de beschikbare medische stukken. Hoewel voor de pijnklachten van betrokkene geen duidelijke oorzaak is gevonden, zijn in de FML van 29 maart 2007 beperkingen neergelegd in de rubrieken ‘Aanpassing aan fysieke omgevingseisen’, ‘Dynamische handelingen’ en ‘Statische houdingen’. Niet is aangetoond dat betrokkenes mogelijkheden daarmee te optimistisch zijn ingeschat.

5.2. De Raad stelt desalniettemin vast dat betrokkene blijkens de rapportage van verzekeringsarts K. Visser van 29 maart 2007 (mede) is aangewezen op werk waarbij hij de mogelijkheid tot houdingsverandering en vertreding moet hebben. Dit komt echter niet tot uitdrukking in de FML van 29 maart 2007. De door bezwaararbeidsdeskundige

H.G. Coerts geschikt bevonden (reserve)functies, te weten verkoper groothandel (Sbc-code 317012), machinaal metaalbehandelaar (Sbc-code 264121), wikkelaar (Sbc-code 267050), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140), zijn hierop dan ook niet beoordeeld.

5.3. De Raad stelt evenwel vast dat behoudens de functie machinaal metaalbehandelaar, gelet op de belastbaarheidaspecten ‘Lopen (tijdens het werk)’, ‘Zitten (tijdens het werk)’ en ‘Staan (tijdens het werk)’, in de geduide functies voldoende van houding kan worden gewisseld dan wel worden vertreden. Ingeval de functie machinaal metaalbehandelaar aan de schatting komt te ontvallen, wijzigt het arbeidsongeschiktheidspercentage niet zodanig dat voor betrokkene alsnog recht zou ontstaan op een WIA-uitkering.

5.4. De in de functies verschenen signaleringen van mogelijk overschrijdingen van de belastbaarheid acht de Raad door bezwaararbeidsdeskundige Coerts in zijn rapport van 6 maart 2008 ten slotte voldoende toegelicht.

5.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 maart 2008 ongegrond is. Aan de beoordeling van hetgeen betrokkene tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, komt de Raad dan ook niet toe.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en G. van der Wiel en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR