Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
09-2512 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de aanvraag daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2512 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 24 maart 2009, 09/895 en 09/1339 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Namens appellant is verschenen drs. J.E. Groenenberg, kantoorgenoot van mr. Singh. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Schenk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 11 november 2008 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2. Op 30 december 2008 heeft ter zake een intakegesprek plaatsgevonden waarbij appellant heeft verklaard dat hij sinds 1 september 2008 inwoont bij [M.] (hierna: [M.]) op het adres [adres 1] in [woonplaats]. Tijdens dit gesprek, waarbij [M.] als tolk heeft opgetreden, heeft appellant verklaard dat hij op de zolder slaapt, dat zijn kleding in een kast op zolder ligt en dat hij de beschikking heeft over een sleutel van de woning. Aan de hand van de door appellant ingeleverde bankafschriften is geconstateerd dat deze pas in de loop van november 2008 naar zijn adres in [woonplaats] worden gestuurd en dat in de periode tot medio november 2008 uitsluitend geldopnames en pinbetalingen in Amsterdam hebben plaatsgevonden. In aansluiting op het intakegesprek hebben medewerkers van de Cluster Sociale Dienstverlening van de gemeente Haarlemmermeer een huisbezoek afgelegd aan het door appellant opgegeven adres. Op de zolderverdieping zijn alleen twee koffers aangetroffen met persoonlijke bezittingen van appellant. Appellant heeft twee onderbroeken, een trui en een t-shirt getoond. In eerste instantie is verklaard dat kleding van appellant in de wasmand ligt, hetgeen bij controle niet het geval bleek te zijn, waarna is opgegeven dat de kleding waarschijnlijk bij de wasserij/stomerij ligt. In de aanwezige kast waren geen bezittingen van appellant opgeborgen. Desgevraagd heeft appellant verklaard dat hij beschikt over een pyjama die in de badkamer zou liggen, maar die is bij controle niet aangetroffen, waarna appellant in de slaapkamer van [M.] een kledingstuk heeft aangewezen dat hij als pyjama zou gebruiken. Behoudens een tandenborstel, een tube tandpasta en een scheermesje heeft appellant geen persoonlijke verzorgingsartikelen laten zien. Appellant heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat hij niet beschikt over een sleutel van de woning. [M.] heeft daarop aangegeven dat hij een reservesleutel in de woonkamer heeft en dat appellant altijd de woning binnen kan omdat er altijd wel iemand thuis is.

1.3. Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen omdat appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij woont op het opgegeven adres. Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2009 ongegrond verklaard. Het College heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het besluit van 8 januari 2009 op goede gronden berust. Bij het besluit van 9 maart 2009 heeft het College zich subsidiair op het standpunt gesteld dat appellant niet aan de hand van deugdelijke en verifieerbare stukken heeft aangetoond hoe hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien en dat daarom niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 9 maart 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het primaire standpunt van het College onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de betreffende woning niet meer persoonlijke bezittingen van appellant aangetroffen dan men gewoonlijk op reis pleegt mee te nemen en wijst het volledig ontbreken van andere zaken dan enkele kledingstukken en toiletartikelen niet op het bestendig verblijf ter plekke. Dat appellant, zoals hij naar voren heeft gebracht, na zijn echtscheiding nog maar weinig spullen vanuit zijn eerdere woning in Amsterdam heeft meegenomen, duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat appellant zijn verblijf nog niet heeft overgebracht naar het adres in [woonplaats]. De rechtbank heeft tevens van belang geacht dat appellant de overeengekomen huur van € 200,-- per maand vanaf 1 september 2008 niet heeft betaald en dat hij ten tijde van het huisbezoek niet beschikte over een huissleutel.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 maart 2009 ongegrond is verklaard. Appellant voert aan dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft toegekend dat hij onder andere zijn bankafschriften op het adres in [woonplaats] ontvangt. Uit het feit dat nog niet al zijn persoonlijke bezittingen vanuit de voormalige echtelijke woning in Amsterdam naar [woonplaats] zijn overgebracht kan volgens appellant alleen worden geconcludeerd dat de verhuizing nog niet was afgegrond. Aangevoerd is dat appellant in [woonplaats] woonachtig is en dat hij zijn persoonlijke bezittingen later zal ophalen bij de voormalige echtgenote. Volgens appellant waren in de woning in [woonplaats] alle essentiële persoonlijke bezittingen aanwezig. Appellant is tevens van mening dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hem niet de gelegenheid is geboden, zoals afgesproken tijdens de hoorzitting, binnen 14 dagen alsnog een aantal bewijsstukken in te leveren om aan te tonen dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de beoordeling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de resultaten van het onderzoek een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de aanvraag daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres. De Raad hecht in het bijzonder betekenis aan het rapport van 7 januari 2009 met daarin een verslag van het intakegesprek op 30 december 2008 en de bevindingen van het huisbezoek op die dag. Daaruit blijkt dat in de woning niet meer dan vier basale kledingstukken van appellant aanwezig waren en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere kledingstukken in de was of bij een wasserij/stomerij waren. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van andere persoonlijke bezittingen dan enkele kledingstukken en enkele toiletartikelen er niet op wijst dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant, volgens zijn opgave, al vanaf 1 september 2008 op het adres in [woonplaats] woont. Tevens acht de Raad van belang dat appellant niet, zoals vermeld tijdens het intakegesprek, beschikte over een sleutel van de woning. De omstandigheid dat appellant op 28 december 2008 na een vakantie in Egypte in Nederland is teruggekeerd, verklaart op zichzelf niet dat hij op 30 december 2008 niet in het bezit was van een huissleutel. Het gegeven dat appellant vanaf medio november 2008 zijn bankafschriften op het adres in [woonplaats] ontvangt, dat hij in de gemeentelijke basisadministratie op het bewuste adres staat geregistreerd en dat [M.] op 22 december 2008 een verklaring heeft afgegeven dat appellant vanaf 1 september 2008 bij hem een kamer huurt is onvoldoende om aan te nemen dat appellant ten tijde van de aanvraag feitelijk woonachtig was op het opgegeven adres.

4.3. Blijkens het verslag van de hoorzitting op 9 maart 2009 is met de gemachtigde van appellant afgesproken dat hij nog een aantal stukken zal aanleveren. De Raad kan in het midden laten of, zoals appellant stelt, het College niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen door het besluit van 9 maart 2009 te nemen zonder de betreffende stukken af te wachten, aangezien die stukken geen betrekking hebben op de woonsituatie van appellant, maar op de vraag op welke wijze appellant in de periode voorafgaande aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien en derhalve of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat afwijzing van de gevraagde bijstand terecht is gebaseerd op de primaire grond, zodat de in het besluit van 9 maart 2009 neergelegde subsidiaire grond geen bespreking behoeft.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(et.) J.F. Bandringa.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD