Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
09-2087 WWB + 09-2089 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Afwijzing aanvraag om algemene bijstand. Appellante heeft nog steeds onvoldoende informatie verschaft over de aard en omvang van de criminele activiteiten van haar partner in detentie. Appellante heeft in het kader van haar nieuwe aanvraag geen relevante wijziging van omstandigheden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2087 WWB

09/2089 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 maart 2009, 07/4205 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/1631 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Laeyendecker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door G.W.J. Heijsterman, werkzaam bij de gemeente Cuijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante [X.]samen met [X.]] vanaf begin 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 10 april 2007 verbleef [X.] in detentie.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding over de vermogenspositie van appellante en [X.] is door de sociale recherche van de gemeente ’s-Hertogenbosch een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante en [X.] verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft appellante op 21 mei 2007 en 17 juli 2007 verklaringen afgelegd en heeft op 17 juli 2007 een huisbezoek plaatsgevonden op het adres van appellante en [X.]. Tijdens dit huisbezoek is onder meer vastgesteld dat de woning van appellante en [X.] was voorzien van rolluiken en beveiligingscamera’s, dat in de woning diverse LCD-schermen aanwezig waren en dat recentelijk een luxe serre aan de achterzijde van de woning was aangebouwd. De onderzoeksresultaten, neergelegd in een tweetal rapportages van 21 mei 2007 en 17 juli 2007, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 27 juli 2007 de bijstand van appellante en [X.] met ingang van 1 april 2007 te beëindigen (lees: in te trekken).

1.3. Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft het College het tegen het besluit van 27 juli 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2007 - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd en vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gezien de inrichting van de woning, de luxe tuininrichting en de kostbare beveiliging die in en rondom het huis is aangebracht, appellante en [X.] naast de bijstandsuitkering de beschikking hebben gehad over een andere inkomstenbron. Nu appellante en [X.] het College daarvan geen melding hebben gemaakt en niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld aan de hand van een administratie, hebben onderbouwd wat de inkomsten zijn geweest, kan het recht op bijstand vanaf 1 april 2007 niet worden vastgesteld.

3. Op 5 oktober 2007 heeft appellante een aanvraag om algemene bijstand ingediend.

3.1. Bij besluit van 21 december 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

3.2. Het bezwaar tegen deze afwijzing is bij besluit van 16 april 2008 ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat bij de aanvraag van 5 oktober 2007 niet gebleken is van een wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de bijstand op grond waarvan appellante nu wel voor bijstand in aanmerking zou komen.

5. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 31 oktober 2007 in stand heeft gelaten, alsmede voor zover het beroep betreffende de afgewezen aanvraag ongegrond is verklaard.

6. De Raad komt met betrekking tot de aangevallen uitspraak 1 tot de volgende beoordeling.

6.1. De Raad stelt allereerst vast dat niet langer wordt bestreden dat appellante en [X.] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het verrichten van de criminele activiteiten van [X.] en de daaruit verkregen inkomsten. Voorts wordt niet langer bestreden dat op grond daarvan geen recht op bijstand bestaat over de periode van 1 april 2007 tot 10 april 2007. Ter beoordeling resteert de vraag, of door genoemde schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante in de periode van 10 april 2007 tot 27 juli 2007 is vast te stellen.

6.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert de schending van de inlichtingenverplichting een grond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, indien hij wel aan zijn inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht zou hebben gehad op (aanvullende) bijstand.

6.3. De Raad is van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. De Raad overweegt hiertoe dat appellante nog steeds onvoldoende informatie heeft verschaft over de aard en omvang van de criminele activiteiten van [X.], de inkomsten die daaruit genoten zijn, of deze inkomsten na de detentie van [X.] daadwerkelijk zijn gestopt en of er nog tegoeden aanwezig zijn. Deze inlichtingen zijn ook van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand van appellante voor de nog resterende periode in geding. [X.] is immers vanaf de datum van zijn detentie te beschouwen als

niet-rechthebbende partner met wiens inkomen, ingevolge artikel 32, derde lid, van de WWB, bij de vaststelling van het recht op bijstand van appellante rekening wordt gehouden. De Raad acht de enkele stelling van appellante dat [X.] over zijn criminele activiteiten en de inkomsten hieruit weigert te verklaren onvoldoende voor het oordeel dat appellante in voldoende mate aan haar inlichtingenverplichtingen heeft voldaan. Die weigering moet immers voor rekening en risico van appellante worden gelaten.

6.4. Gelet op het voorgaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting de omvang van het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2007 in te trekken.

7. De Raad komt met betrekking tot de aangevallen uitspraak 2 tot de volgende beoordeling.

7.1. De Raad stelt ten aanzien van de op 5 oktober 2007 ingediende aanvraag om bijstand voorop dat het vaste rechtspraak van de Raad is dat, indien een belanghebbende na beëindiging of intrekking van de bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, het op zijn of haar weg ligt om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat inmiddels wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad in het kader van haar nieuwe aanvraag geen relevante wijziging van omstandigheden aangevoerd. De Raad merkt de door appellante gestelde schuldenlast niet aan als een dergelijke omstandigheid. Dit leidt tot de slotsom dat het College de aanvraag terecht heeft afgewezen.

7.3. Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken komen, uitspraak 1 voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

HD