Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10-5004 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de in de FML van 30 maart 2009 vastgestelde medische beperkingen. De bij de geduide functies voorkomende signaleringen zijn op afdoende wijze toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5004 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 juli 2010, 09/1203 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011.

Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 10 maart 2007 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 juli 2007 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 15 januari 2009, 07/2151, heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank was daarbij van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek nu de bezwaarverzekeringsarts De Vries in zijn in beroep overgelegde rapportage van 31 januari 2008 heeft aangegeven een psychiatrische expertise aangewezen te achten.

1.3. Het Uwv heeft vervolgens in het kader van een nieuw te nemen besluit op bezwaar een expertise laten verrichten door psychiater W.M.J. Hassing, die op 18 maart 2009 heeft gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierin aanleiding gezien de eerder vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante aan te passen en aldus de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 maart 2009 vastgesteld. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens geleid tot de conclusie dat appellante geschikt te achten is voor vier van de oorspronkelijk geduide functies, te weten productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043), inpakker (Sbc-code 111190) en huishoudelijk medewerker gebouwen (Sbc-code 111334), en dat zulks leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

1.4. Het Uwv heeft dienovereenkomstig bij besluit van 7 april 2009 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2007 opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de bevindingen uit de expertise van psychiater Hassing niet goed zijn vertaald in de FML van 30 maart 2009 in die zin dat er ten onrechte geen beperking is aangenomen op het aspect “concentreren van aandacht”. Voorts is zij van mening dat zij de functie van huishoudelijk medewerker niet kan verrichten omdat deze in de avonduren moet worden verricht en omdat zij in verband met haar lengte moeite heeft met reiken dan wel het boven schouderhoogte werken zodat zij ook om die reden deze functie niet kan uitoefenen. Verder geeft zij aan dat zij slecht Nederlands kan lezen en dat de mate van begrijpend lezen beperkt is. De functie van productiemedewerkster textiel is volgens appellante dan ook niet passend te achten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen in beroep reeds is aangevoerd. De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de in de FML van 30 maart 2009 vastgestelde medische beperkingen. De Raad onderschrijft in dit verband hetgeen de rechtbank daartoe in de overwegingen 4.1 en 4.2 heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom het rapport van Hassing wel adequaat in de FML is vertaald. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een andersluidend oordeel zou moeten leiden.

4.3. Voorts acht de Raad met de rechtbank de bij de geduide functies voorkomende signaleringen op afdoende wijze toegelicht in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 9 januari 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 april 2009 en ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de functies op de door appellante naar voren gebrachte aspecten niet passend te achten zijn. De Raad onderschrijft in dit verband de door de rechtbank in 4.4.2, 4.5.2 gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. De rechtbank heeft onder meer met recht aangegeven, dat appellante niet beperkt is voor werk in de avonduren (maar wel voor werk ’s nachts) en uitgelegd waarom zij de functie van huishoudelijk medewerker wel kan uitoefenen.Met betrekking tot de stelling dat appellante slecht Nederlands kan lezen en dat de mate van begrijpend lezen beperkt is, wijst de Raad er op dat zij reeds sinds haar twaalfde jaar in Nederland woont en blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige van 9 januari 2007 drie klassen MAVO heeft doorlopen. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellante de geduide functie van productiemedewerker textiel, geen kleding - waarin immers een mondelinge toelichting gegeven kan worden op de schriftelijke instructies in de orderbon - moet kunnen verrichten.Ten overvloede wijst de Raad er hierbij nog op dat ook met het wegvallen van de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding, voldoende functies zouden resteren om de schatting op te baseren.

4.4. De Raad is tot slot met de rechtbank van oordeel dat het niet onzorgvuldig is te achten dat er geen verslag is opgemaakt van het overleg tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de arbeidskundig analist (appellante noemt in hoger beroep naar het de Raad voorkomt abusievelijk het verslag van overleg tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts) en onderschrijft hetgeen de rechtbank daartoe in 4.4.2 heeft aangegeven. De mededeling van de arbeidsdeskundig analist dat het in de desbetreffende functie gaat om normale productiedoelen en niet om veelvuldige en stresserende deadlines is op zich voldoende duidelijk en behoeft geen nadere op schrift gestelde toelichting.

De Raad is overigens niet gebleken dat er geen of onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden tussen de (bezwaar)arbeidsdeskundige en de (bezwaar)verzekeringsarts. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft tot slot naar het oordeel van de Raad op afdoende wijze een toelichting gegeven op de in de functies voorkomende overschrijdingen van de belastbaarheid van de appellante.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd moet worden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) J. Riphagen

(get.) T.J. van der Torn

EF