Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
10-1031 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een extra deur in de buitenberging berust op goede gronden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het, gelet op de in haar woning aanwezige ruimten, onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van een aantal aanwezige zaken naar de buitenberging een plek voor haar (inklapbare) rolstoel te creëren. Van appellante mag worden verlangd dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van voorwerpen die zij slechts incidenteel nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de (binnenberging in haar) woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1031 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 januari 2010, 09/636 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011. Appellante is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Mossel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante is bekend met beperkingen in verband waarmee haar een vervoers- en een woonvoorziening alsmede een voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp voor zes uur per week is toegekend.

2.2. Appellante heeft op 8 december 2008 in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) bij het College een aanvraag ingediend om, onder meer, een woonvoorziening in de vorm van een extra deur in de buitenberging.

2.3. Het College heeft bij besluit van 9 januari 2009 de aanvraag afgewezen. Geconcludeerd is dat de gevraagde woonvoorziening niet als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt; appellante heeft huishoudelijke hulp en van de huishoudelijke hulp mag worden verwacht dat deze incidenteel naar de buitenberging gaat om iets op te halen of op te ruimen.

2.4. Bij besluit van 9 april 2009 heeft het College het tegen het besluit van 9 februari 2009 gemaakte bezwaar conform het advies van de onafhankelijke bezwarencommissie van 23 maart 2009 ongegrond verklaard. Aangegeven is dat het maken van een extra deur in de buitenberging niet langdurig noodzakelijk is om de belemmeringen die appellante ondervindt bij het normale gebruik van de woning op te heffen. Appellante kan de belemmeringen die zij ondervindt bij het gebruik van de buitenberging beperken of opheffen door haar huishouden anders te organiseren waardoor het gebruik van de buitenberging kan worden beperkt en de alsdan als incidenteel aan te merken bezoeken aan de buitenberging door de huishoudelijke hulp kunnen worden afgelegd. Bovendien behoort het gebruik van de buitenberging niet tot het normale gebruik van de woning.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 april 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. Appellante kan haar huishouden zodanig inrichten dat in haar woning ruimte ontstaat voor de stalling van haar rolstoel. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het, gelet op de in haar woning aanwezige ruimten, onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van de aanwezige spullen een plek voor haar rolstoel te creëren. Van appellante mag worden verlangd dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van voorwerpen die zij niet dagelijks nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de woning. Ook kan van de huishoudelijke hulp verlangd worden dat deze spullen opbergt in de buitenberging dan wel uit de buitenberging ophaalt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de Verordening moet worden afgeweken is geen sprake.

4. Appellante heeft in hoger beroep - daarmee in essentie herhalende hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd - gesteld dat haar zelfredzaamheid wordt beperkt doordat de buitenberging vanwege de afstand tussen de woning en de buitenberging voor haar niet bereikbaar is. Een extra deur zou die afstand beperken en appellante de mogelijkheid geven de buitenberging weer te bereiken en te gebruiken zowel voor de stalling van haar rolstoel als voor andere spullen. Voor de rolstoel is nu geen plek in de woning van appellante. Het anders organiseren van het dagelijkse leven of het huishouden is niet mogelijk. De ruimte in de woning wordt al optimaal benut. Het opslaan van spullen uit de woning in de buitenberging is nu niet mogelijk, omdat appellante zelf niet in staat is de buitenberging te bereiken en haar huishoudelijke hulp te weinig tijd heeft om spullen naar de buitenberging te brengen of uit die berging op te halen. Appellante heeft zich verder beroepen op het gelijkheidsbeginsel en er in dat verband op gewezen dat bij een andere bewoner van het complex waarvan de woning van appellante deel uitmaakt, wel een extra deur in de buitenberging is aangebracht. Volgens appellante is die deur aangebracht om de betreffende bewoner de gelegenheid te geven zijn scootmobiel in de buitenberging te plaatsen. Appellante ziet hierin een overeenkomst met haar situatie waarin zij haar rolstoel in de buitenberging wil kunnen plaatsen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wet- en regelgeving

6.1.1. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang, dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen om een huishouden te voeren.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

6.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

6.2.1. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo heeft de raad van de gemeente Apeldoorn uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 (hierna: Verordening).

6.2.2. Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen van de aanvrager op het gebied van onder andere het voeren van het huishouden op te heffen of te verminderen. In het tweede lid, aanhef en onder d, is bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de aanvrager de belemmeringen die hij ondervindt kan beperken of opheffen door het anders organiseren van het dagelijkse leven of het huishouden.

Beoordeling

7.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel - en op dezelfde gronden als door de rechtbank gehanteerd - dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het, gelet op de in haar woning aanwezige ruimten, onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van een aantal aanwezige zaken naar de buitenberging een plek voor haar (inklapbare) rolstoel te creëren. Uit de ter zitting en in de dossierstukken door appellante beschreven inrichting van haar woning blijkt dat appellante in de woning spullen bewaart c.q. opslaat die zij - reeds gelet op de aard van die spullen - sporadisch gebruikt. De Raad noemt in dat verband (als voorbeeld) de reserveplavuizen, de vloerbedekkingstegels, de kerstspullen, de meststof voor de tuin, de tuinmeubelen en de vogelhuisjes. Van appellante mag worden verlangd dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van dergelijke voorwerpen die zij slechts incidenteel nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de (binnenberging in haar) woning. Overigens is de Raad net als de rechtbank, van oordeel dat van de huishoudelijke hulp verlangd kan worden dat zij spullen opbergt in de buitenberging dan wel uit de buitenberging ophaalt. De Raad overweegt voorts in reactie op de opmerking van appellante dat bij plaatsing van de rolstoel in de binnenberging spullen achter elkaar zullen komen te staan, dat het zo nu en dan moeten verplaatsen van voorwerpen om bij andere spullen te komen, niet leidt tot een ander oordeel. Er is immers niet gebleken dat appellante dan wel haar hulp daartoe niet in staat kan worden geacht. Wat betreft de stelling van appellante dat het vanwege de parketvloer onwenselijk is om de rolstoel, wanneer die natte banden heeft, in de woning te stallen, merkt de Raad op dat niet is gesteld noch gebleken dat appellante de rolstoel voordat zij deze in de binnenberging of elders in de woning opbergt, niet in de van plavuizen voorziene voorhal kan (af)drogen. De beroepsgrond faalt.

7.2. Het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Weliswaar is in 1990 in een andere woning in hetzelfde complex wel een extra deur in de buitenberging aangebracht, maar dit is gebeurd op een moment waarop de Wmo nog (lang) niet in werking was getreden hetgeen betekent dat van gelijke gevallen reeds daarom geen sprake is.

Slotoverweging

8. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD