Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
09/3092 ZW + 09/4198 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging ZW-uitkering met 20%. Niet meegewerkt aan re-integratie. Verlaging ZW-uitkering met 50% (25%)voor de verdere duur van die uitkering, ingaande 30 juni 2008. Opnieuw weigering mee te werken aan re-integratie. Recidive. Geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, dan wel van een dringende reden om van het opleggen van de maatregel af te zien.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 45
Ziektewet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3092 ZW en 09/4198 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2009, 08/5079 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit van 22 juli 2009 was gevoegd.

Namens appellant is een nader stuk in het geding gebracht.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals was aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als elektromonteur toen hij zich op 25 september 2006 moest ziek melden wegens linkerschouderklachten. Later heeft hij tevens psychische klachten gekregen. Na afloop van zijn arbeidsovereenkomst op

18 september 2007 is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. In het kader van de re-integratie van appellant in arbeid is door het Uwv een Plan van Aanpak opgesteld, dat op

4 februari 2008 is bijgesteld. Deze bijstelling is bij brief van 12 februari 2008 aan appellant toegezonden. In het bijgestelde Plan van Aanpak is de afspraak opgenomen dat appellant een programma bij Winnock gaat volgen. Dit programma beslaat een periode van drie weken en kent een tijdsbeslag van acht uur per dag, vijf dagen per week. Op 13 februari 2008 heeft appellant een kennismakingsgesprek gehad bij Winnock en op 18 april 2008 heeft hij een kennismakingsochtend bijgewoond. Het programma zou starten op 21 april 2008. Op 21 april 2008 heeft appellant zich afgemeld bij een re-integratiedeskundige van Winnock, die dit heeft gemeld aan het Uwv. De case-manager van appellant bij het Uwv heeft op diezelfde dag telefonisch met appellant gesproken over diens weigering mee te werken aan zijn re-integratie en meegedeeld dat hij om die reden het Uwv zal adviseren een maatregel op te leggen. Bij besluit van 29 april 2008 is aan appellant een maatregel opgelegd bestaande uit een verlaging van diens ZW-uitkering met 20% over de periode

4 februari 2008 tot en met 1 juni 2008. Appellant heeft tegen deze maatregel bezwaar gemaakt. Bij besluit van

30 juni 2008 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.3. Op 17 juni 2008 heeft appellant weer een gesprek gehad met zijn case-manager. Tijdens dit gesprek heeft appellant, zo is weergegeven in het door de case-manager op diezelfde dag opgemaakte verslag van dit gesprek, opnieuw geweigerd aan het programma bij Winnock mee te doen. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het Uwv wederom een maatregel opgelegd aan appellant, te weten een verlaging van diens ZW-uitkering met 50% voor de verdere duur van die uitkering, ingaande 30 juni 2008. Appellant heeft tegen deze maatregel bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 5 december 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant op 17 juni 2008 bekend was met het standpunt van het Uwv dat appellant verplicht was mee te werken aan zijn re-integratie en dat het programma bij Winnock onder die verplichting viel. Tevens heeft zij overwogen dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de opvatting van het Uwv, inhoudende dat appellant heeft geweigerd aan het programma bij Winnock deel te nemen. Het Uwv was daarmee naar haar oordeel bevoegd om aan appellant een maatregel op te leggen wegens onvoldoende medewerking aan diens re-integratie. De opgelegde maatregel kon naar het oordeel van de rechtbank evenwel in rechte geen stand houden, omdat het Uwv daarbij was uitgegaan van recidive en om die reden was overgegaan tot verhoging van de maatregel tot 50%. Dit oordeel van de rechtbank vloeide voort uit een eerdere uitspraak van de rechtbank van 24 april 2009 op het beroep van appellant tegen het besluit van 30 juni 2008, waarbij dat beroep gegrond is verklaard, het besluit van 30 juni 2008 is vernietigd en het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv bevoegd was om hem een maatregel op te leggen wegens het onvoldoende medewerken aan zijn re-integratie. Hij heeft daarbij de in beroep aangevoerde gronden herhaald en nader toegelicht. Appellant heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat de stelling dat hij niet bereid was om mee te werken aan zijn re-integratie niet juist is, dat het Uwv ten onrechte de weergave van het gesprek op 17 juni 2008 van de case-manager heeft gevolgd, omdat die weergave niet in overeenstemming is met hoe het gesprek werkelijk is verlopen en er sprake was van een bijzonder gespannen verhouding tussen hem en de case-manager. Ook is appellant van mening dat het hem nog steeds niet duidelijk was dat het volgen van het programma bij Winnock door het Uwv werd gezien als een verplichting in het kader van zijn re-integratie. Het programma bij Winnock was en is in de ogen van appellant niet (voldoende) toegesneden op zijn eigen situatie. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat er, gelet op zijn financiële en sociale omstandigheden, alle aanleiding was om van het opleggen van een maatregel af te zien.

4. Het Uwv heeft in hoger beroep aangegeven in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanleiding te zien zijn standpunt te wijzigen, met dien verstande dat achteraf gelet op de onder 2 genoemde uitspraak van de rechtbank van

24 april 2009, is gebleken dat het niet juist was dat hij de uitlatingen en gedragingen van appellant op 17 juni 2008 heeft aangemerkt als recidive. Het Uwv heeft bij zijn nadere besluit van 22 juli 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2008 gegrond verklaard en alsnog de ZW-uitkering van appellant met ingang van 30 juni 2008 verlaagd met 25% voor de verdere duur van die uitkering.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Aangezien het hiervoor weergegeven besluit van 22 juli 2009, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 juli 2009.

5.2. De door appellant aangevoerde gronden tegen de in hoger beroep betwiste oordelen van de rechtbank, als neergelegd in de aangevallen uitspraak, treffen geen doel. Met de rechtbank ziet de Raad in het verslag van de case-manager van het gesprek met appellant op 17 juni 2008 voldoende steun voor het standpunt van het Uwv, dat appellant in dat gesprek heeft geweigerd alsnog deel te nemen aan het programma bij Winnock, terwijl hij bekend was met de opvatting van het Uwv dat het volgen van dit programma voor hem verplicht was als onderdeel van de met hem gemaakte afspraken in het kader van zijn re-integratie. Hetgeen appellant terzake, onder meer met betrekking tot zijn bezwaren tegen het programma bij Winnock, heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander standpunt.

5.3. Ook de bezwaren van appellant voor zover deze zich richten tegen het besluit op bezwaar van 22 juli 2009 treffen geen doel. Gelet op de in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder p, van de ZW opgenomen verplichting van het Uwv om aan appellant een maatregel op te leggen omdat hij onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie, is de bij dit besluit opgelegde maatregel in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 5 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, in werking getreden op 1 mei 2008. In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot zijn financiële en sociale situatie ziet de Raad – met het Uwv – geen grond om uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid, dan wel van een dringende reden om van het opleggen van de maatregel af te zien.

6. De Raad ziet geen aanleiding over te gaan tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juli 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM