Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
09-6906 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZ-uitkering ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Mogelijk sprake van syndroom van Asperger, met beperkingen voor conflicthantering in persoonlijk contact. Geen aanknopingspunten om te oordelen dat met de aangescherpte FML de beperkingen van appellant zijn ondergewaardeerd. In het licht van de aangescherpte FML resteren voor appellant geschikte arbeidsmogelijkheden, die terecht als passend zijn aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6906 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 december 2009, 08/1124 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een rapport ingezonden van prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater te Amsterdam, gedateerd 14 mei 2010.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van bezwaarverzekeringsarts

W.C. Hovy, gedateerd 6 juli 2010.

Op verzoek van de Raad heeft de gemachtigde van appellant evenvermelde reactie van Hovy aan Koerselman voorgelegd, die daarop heeft gereageerd met een schrijven van 25 oktober 2010.

Hierop heeft het Uwv aan de Raad doen toekomen een nader rapport van Hovy (met bijlagen), gedateerd 29 oktober 2010, alsmede een rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman (met bijlagen), gedateerd 3 november 2010.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 27 januari 2011 een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appelant is op 1 november 2002 wegens concentratieproblemen, hoofdpijnklachten, angstklachten, klachten van geheugenverlies en slaapproblemen uitgevallen als directeur/aandeelhouder van een tweetal assurantiekantoren.

1.2. Nadat een besluit tot weigering aan appellant per het einde van de wettelijke wachttijd van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) in beroep was vernietigd, heeft het Uwv ingaande 31 oktober 2003 een WAZ-uitkering aan appellant toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 12 november 2007 is de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 26 december 2006 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het beroep tegen het besluit van 12 november 2007 is ongegrond verklaard bij uitspraak van de rechtbank van 23 april 2008. Bij uitspraak van 5 augustus 2009 (LJN BJ5474) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2008 bevestigd.

2.1. Bij besluit van 12 november 2007, genomen in het kader van een herbeoordeling op grond van het oude Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, is de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 22 februari 2007 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2.2. Bij besluit van 20 maart 2008, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen laatstgenoemd besluit van 12 november 2007 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.2. Samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv voldoende gemotiveerd rekening hebben gehouden met de beschikbare medische informatie. Terecht hebben de bezwaarverzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank een groot gewicht toegekend aan de brieven van de behandelend internisten-endocrinologen dr. H.P.F. Koppeschaar en dr. A.M.E. Stades. Aan de hand van die brieven hebben de bezwaarverzekeringsartsen kunnen concluderen dat het (bij appellant gediagnosticeerde) syndroom van Klinefelter geen (directe) verklaring is voor de vermoeidheidsklachten van appellant.

3.3. Onder verwijzing naar het op verzoek van het Uwv door de psychiater-psychoanalyticus B. Oskam omtrent appellant opgestelde expertiserapport van 16 april 2007, hebben de bezwaarverzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank voorts kunnen stellen dat er geen aanleiding is voor het aannemen van psychische beperkingen bij appellant. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waarmee dit oordeel wordt weerlegd.

3.4. Ten slotte heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

4. In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn beperkingen zijn onderschat. In het bijzonder acht appellant de aard, ernst en duur van zijn psychische klachten miskend. Ter onderbouwing van zijn opvatting heeft appellant het in rubriek I vermelde rapport van psychiater Koerselman in het geding gebracht, welk rapport, naar de gemachtigde van appellant desgevraagd ter zitting heeft verklaard, is uitgebracht in het kader van aanspraken van appellant op uitkering krachtens een particuliere verzekering.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In zijn rapport van 14 mei 2010 concludeert Koerselman dat het hem, alles afwegend, zeker ook gezien het bestaan van het syndroom van Klinefelter, het meest aannemelijk lijkt dat bij appellant sprake is van de stoornis van Asperger en dat deze zich manifesteert in een verminderd vermogen tot empathie en in extreme preoccupatie met onrecht. Naar het oordeel van Koerselman vloeien hieruit voor appellant beperkingen voort, die betrekking hebben op het sociaal functioneren in arbeid. Appellant lijkt hem niet geschikt om in het verband van arbeid conflicten te hanteren. Dit geldt vooral voor conflicthantering in persoonlijk contact. Verder moet er ook rekening mee worden gehouden dat appellant door zijn opstelling anderen in verwarring kan brengen. Appellant lijkt volgens Koerselman niet geschikt voor leidinggevende functies.

5.3. Bezwaarverzekeringsarts Hovy heeft bij rapport van 29 oktober 2010 aangegeven dat het rapport van Koerselman alsmede diens reactie van 25 oktober 2010 op zijn aanvankelijke commentaar van 6 juli 2010, hem aanleiding geven appellant meer beperkt te achten dan was aangenomen. Appellant is alsnog beperkt geacht ten aanzien van conflicthantering in persoonlijk contact. Appellant kan dit, zij het incidenteel, wel telefonisch. Tevens is appellant beperkt geacht op het aspect uiten van eigen gevoelens, daar hij anderen in verwarring brengt door onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen. Ten slotte nam Hovy een beperking aan op leidinggeven op het niveau van een dga. Deze aanvullende beperkingen zijn opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 29 oktober 2010.

5.4. De Raad heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat met de aangescherpte FML van 29 oktober 2010 de beperkingen van appellant zijn ondergewaardeerd.

5.5. Van de zijde van appellant is in reactie op de aangescherpte FML van 29 oktober 2010 aangevoerd dat hij op nog meer aspecten zwaarder beperkt dient te worden geacht. Hierbij dient volgens appellant te worden geacht aan aspecten als aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, emotionele problemen hanteren, samenwerken en aan een beperking wat betreft het aantal te werken uren.

5.6. De Raad is van oordeel dat deze eigen opvatting van appellant een objectief-medische onderbouwing mist. Koerselman heeft met zoveel woorden aangegeven dat hij geen andere beperkingen ziet dan de door hem genoemde. Ondanks de subjectieve klachten van appellant heeft Koerselman geen grond gevonden voor een beperking ten aanzien van concentratie. Evenmin lijkt volgens Koerselman reden te bestaan voor een urenbeperking. Daarbij heeft hij meegewogen dat appellant over moeheid klaagt, maar hij acht die klacht naar aard en ernst toch niet voldoende om daaraan een beperking ten aanzien van de werkduur te verbinden. Bovendien is het aannemelijk dat de moeheid vooral voortvloeit uit de bestaande preoccupatie met onrecht, terwijl conflictvrije werkzaamheden die consequentie niet hoeven te hebben.

5.7. Ook overigens, in het licht van het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische informatie, is de Raad niet kunnen blijken van medische gegevens die twijfel oproepen aan de juistheid van de beperkingen zoals deze - uiteindelijk - voor appellant in aanmerking zijn genomen.

5.8. Ten slotte is de Raad van oordeel dat de functies, zoals deze in diens rapport van 3 november 2010 volgens bezwaararbeidsdeskundige Horeman in het licht van de aangescherpte FML resteren als voor appellant geschikte arbeidsmogelijkheden, terecht als voor appellant passend zijn aangemerkt.

5.9. Op grond van het overwogene onder 5.2 tot en het 5.8 concludeert de Raad dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ