Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
10-233 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand voor de duur van een maand met 50% is terecht. Niet meegewerkt aan een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/233 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 december 2009, 09/206 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Voor appellant is verschenen mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving en H.J. Roerig, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 15 augustus 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ten tijde hier in geding golden voor appellant alle verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2. Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2008 voor de duur van een maand met 50% van de voor hem geldende bijstandsnorm verlaagd. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant door te weigeren deel te nemen aan het traject Sprinkplank, niet heeft meegewerkt aan een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en de artikelen 9, vierde lid, en 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen (hierna: Maatregelenverordening).

1.3. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2008 voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant heeft volhard in zijn weigering om mee te werken aan de door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij overwogen dat sprake is van recidive in de zin van artikel 8 van de Maatregelenverordening.

1.4. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 oktober 2008 en 31 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft enkel aangevoerd dat het College niet bevoegd was met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand met ingang van 1 oktober 2008 en 1 november 2008 te verlagen. Appellant stelt in dit verband dat het College, door overigens ten onrechte uit te gaan van een vermoeden van fraude, op onjuiste gronden het traject Sprinkplank (hierna: het traject) aan appellant heeft opgelegd en daardoor heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verbod van détournement de pouvoir. Daarnaast stelt appellant dat hij van het traject geen gebruik hoefde te maken, omdat hij in gesprek was met de afdeling zelfstandigen van de gemeente Groningen voor het verkrijgen van bijstand ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, verlaagt ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2. Niet in geschil is dat het traject is gericht op arbeidsinschakeling en dat het een intensief re-integratie-instrument betreft. Het College heeft op de zitting van de Raad desgevraagd naar voren gebracht dat het traject is bedoeld voor bijstandsgerechtigden die geruime tijd een bijstandsuitkering ontvangen, geen belemmeringen hebben voor werk en ten aanzien van wie eerdere pogingen tot re-integratie op niets zijn uitgelopen.

4.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat het College op onjuiste gronden hem de verplichting heeft opgelegd om aan het traject deel te nemen. Uit de gedingstukken, waaronder het dienstrapport van 29 december 2008, en uit hetgeen het College (desgevraagd) op de zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat aan deelname van het traject door appellant niet het vermoeden van fraude ten grondslag is gelegd. Appellant is voor het traject aangemeld omdat hij in het verleden langere tijd aangewezen is geweest op een bijstandsuitkering en omdat gebleken is dat hij niet op eigen kracht in staat is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.

De Raad ziet in het voorgaande dan ook geen grond voor de conclusie dat het College het traject heeft aangeboden met een ander doel dan appellant naar betaald werk toe te leiden. Van schending van artikel 3:3 van de Awb is geen sprake.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat appellant verplicht was gebruik te maken van het door het College aangeboden traject. De omstandigheid dat appellant bijstand wenste te verkrijgen als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 en in dat verband reeds een gesprek had gehad met de afdeling zelfstandigen, ontsloeg appellant niet van de op hem rustende arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB en van de verplichting om aan het aan hem aangeboden traject deel te nemen. De Raad merkt daarbij nog op dat uit de stukken blijkt dat appellant op 10 november 2008 van het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Bbz 2004 heeft afgezien.

4.5. Niet in geschil is dat appellant heeft geweigerd, en heeft volhard in zijn weigering, om van de door het College aangeboden voorziening gebruik te maken. Nu niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Maatregelenverordening te verlagen.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD