Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
09-1585 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Onvoldoende is komen vast te staan dat aan de schuld van appellante aan de zus een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling was verbonden. De verplichting tot terugbetaling is afhankelijk gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis, namelijk het voldoende aanwezig zijn van draagkracht bij appellante. Nu de terugbetalingsverplichting afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis, kan niet van een reële terugbetalingsverplichting worden gesproken. Van een feitelijke terugbetaling door middel van periodieke maandelijkse betalingen is niet gebleken. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1585 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 februari 2009, 08/471 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaminon. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.G. Kubben, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving samen met haar partner E.H.E. [M.] (hierna: partner) - met een korte onderbreking - sinds 1 december 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een op naam van appellante geregistreerd staande auto met [nr. kenteken] (hierna: auto) heeft medio 2007 een gesprek plaats gevonden tussen een ambtenaar van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Geleen-Sittard en appellante en haar partner. Tijdens dit gesprek hebben appellante en haar partner een kopie van een door appellante en haar zus [A.A.] (hierna: zus) ondertekende overeenkomst met de titel ‘Verklaring van lening’ van 15 september 2006 (hierna: verklaring) overgelegd. In de verklaring staat vermeld dat de zus op 15 september 2006 een bedrag van € 27.000,-- als lening aan appellante heeft verstrekt. Voorts is in de verklaring opgenomen: ‘De aflossing van deze lening wordt rentevrij verstrekt. Verder zal de aflossing van deze lening vanaf het jaar 2008 plaatsvinden. De aflossing, en daarmee de termijnbedragen, zal naar draagkracht worden berekend. Wordt de aflossing niet overeenkomstig deze verklaring van lening afgewikkeld, dan zal de auto van het merk Chevrolet Avalanche met [nr. kenteken] aan [A.A.] worden overgedragen’. Appellante en haar partner hebben op 3 augustus 2007 een verklaring afgelegd waarvan het verslag door hen is ondertekend. Hierin hebben zij aangegeven dat van de aan appellante verstrekte lening van € 27.000,--, een bedrag van € 7.500,-- door de zus in contanten als aanbetaling van de auto aan het garagebedrijf is betaald en dat de zus de overige € 10.000,-- heeft overgemaakt op de bankrekening van het garagebedrijf. Appellante en haar partner verklaren voorts, voor zover hier van belang, dat zij de overige € 10.000,-- in termijnen en in contanten van de zus hebben ontvangen.

1.3. Bij besluit van 21 november 2007 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 15 september 2006 ingetrokken en de kosten van de over de periode van 15 september 2006 tot en met 30 september 2007 verleende bijstand tot een bedrag van € 15.536,64 van haar en haar partner teruggevorderd. Aan het besluit is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellante geen mededeling heeft gedaan van het aan haar op 15 september 2006 verstrekte bedrag van € 27.000,--. Het College heeft daarbij overwogen dat het voornoemde bedrag geen lening betreft, maar moet worden aangemerkt als vermogen. Voorts heeft het College, na een nieuwe vermogensberekening te hebben gemaakt, overwogen dat op 15 september 2006 sprake was van overschrijding van de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen van in totaal € 26.590,--, waardoor met ingang van die datum geen recht op bijstand (meer) bestaat.

1.4. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat aan de schuld van appellante aan de zus een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling was verbonden. Appellante stelt in dit verband dat in de verklaring een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is opgenomen en, gelet daarop, dat het bedrag van € 27.000,-- ten onrechte als vermogen is aangemerkt.

4.2. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover een alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 maart 2008,

LJN BC7067, kunnen schulden bij de vermogensvaststelling uitsluitend in aanmerking genomen worden indien het feitelijk bestaan ervan aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een reële terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de in de onder 1.2 weergegeven inhoud van de verklaring, de verplichting tot terugbetaling afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis, namelijk het voldoende aanwezig zijn van draagkracht bij appellante. Nu de terugbetalingsverplichting afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis, kan naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de hiervoor in 4.2 genoemde uitspraak, niet van een reële terugbetalingsverplichting worden gesproken. De Raad tekent daarbij aan dat van een feitelijke terugbetaling met ingang van 2008 door middel van periodieke maandelijkse betalingen niet is gebleken. Uit de gedingstukken blijkt enkel dat appellante vanaf januari 2008 tweemaal een bedrag van € 100,-- heeft betaald aan de zus. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad dan ook met de rechtbank van oordeel dat het College het bedrag van € 27.000,-- terecht als vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WWB heeft aangemerkt.

4.4. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat het bedrag van € 27.000,-- niet in één keer aan haar is verstrekt op 15 september 2006. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante mag worden gehouden aan de verklaring van 15 september 2006, waaruit blijkt dat het bedrag in zijn geheel op die datum aan haar is verstrekt. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij met ingang van die datum niet redelijkerwijs over het gehele bedrag heeft kunnen beschikken. De Raad is in dit verband van oordeel dat appellante ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband bestaat tussen het door de zus aan appellante verstrekte bedrag van € 27.000,-- en de door de zus aan het garagebedrijf gedane (aan-)betalingen. Appellante heeft evenmin met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij een bedrag van € 10.000,-- in termijnen en in contanten van de zus ontvangen heeft.

4.5. Appellante heeft, door geen mededeling te hebben gedaan van het aan haar op 15 september 2006 verstrekte bedrag van € 27.000,--, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met ingang van 15 september 2006 sprake is van overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens, waardoor gedurende de gehele hier te beoordelen periode van 15 september 2006 tot en met 21 november 2007 geen recht op bijstand (meer) bestond. Gelet op het voorgaande was het College derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 15 september 2006 in te trekken. Appellante heeft de uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden.

4.6. Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van de tot een te hoog bedrag verleende bijstand over te gaan. Appellante heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.Scheffer.

JJ