Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
10-4730 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Voldoende rekening gehouden met rugklachten. Geschiktheid geduide functies. Aangezien bij appellante geen sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren, onderschrijft de Raad dan ook niet haar stelling dat, nu zij de Nederlandse taal niet beheerst, zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. Deze functies zijn eenvoudig van aard en er worden geen verdergaande vereisten gesteld ten aanzien van schrijven of lezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4730 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 juli 2010, 10/498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Klaver en tolk E. Battaloglu. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in september 2007 vanwege rugklachten uitgevallen voor haar werk als medewerkster tuinbouw. In juni 2009 heeft zij een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2. Ten einde de belastbaarheid van appellante voor arbeid vast te stellen heeft verzekeringsarts P. van Muijen appellante onderzocht tijdens het spreekuur op 11 augustus 2009 en haar beperkingen en belastbaarheid voor arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Arbeidsdeskundige R. Nagtegaal heeft op 27 augustus 2009 het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en heeft appellante onder andere belastbaar geacht voor de functies productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (sbc-code 111172), inpakker (sbc-code 111190) en textielproductenmaker (sbc-code 111160). De theoretische resterende verdiencapaciteit is vastgesteld op € 11,35, hetgeen hoger is dan het maatgevende loon van € 10,16.

1.3. Bij besluit van 7 september 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 14 september 2009 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij in staat wordt geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.4. Bij besluit van 30 december 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2009, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van 15 december 2009 en bezwaararbeidsdeskundige J.G.M. Claessen van 29 december 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de beschikbare medische gegevens de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De verzekeringsarts was op de hoogte van de degeneratieve afwijking van de rug en er was geen sprake van neurologische uitval- verschijnselen en/of radiculaire prikkelingsverschijnselen. De bezwaarverzekeringsarts beschikte over informatie van de huisarts en heeft geconcludeerd dat de verzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de klachten enerzijds en de geobjectiveerde afwijkingen anderzijds. De rechtbank verwijst naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 4 juni 2010 op de door appellante in beroep overgelegde informatie van neurochirurg dr. K. Goedseels van 27 mei 2010. Volgens de bezwaarverzekeringsarts blijkt uit deze informatie niet dat zij meer beperkingen heeft. De MRI van 15 april 2008 was reeds bekend. De rechtbank heeft op grond van de voorhanden medische gegevens geen aanleiding gezien om appellante door een deskundige te laten onderzoeken. De geschiktheid van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd heeft de bezwaararbeidsdeskundige naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.

3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij stelt zich op het standpunt dat zij gelet op haar beperkingen, opleidingsniveau en het ontbreken van de beheersing van de Nederlandse taal, niet in staat is de geduide functies te verrichten. Zij verzoekt om een nieuw onderzoek, zowel op medisch als arbeidskundig gebied. Appellant acht zichzelf volledig arbeidsongeschikt omdat haar ruggenwervel is versleten en zij moeite heeft met staan, lopen en zitten. Bovendien heeft zij een hernia met uitstraling in de benen en psychische klachten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij informatie van haar huisarts S. Moekti van 22 april 2011 en van neuroloog Goedseels van 22 juni 2010 overgelegd. Ter zitting heeft appellante aangegeven dat zij onlangs is onderzocht door een reumatoloog vanwege haar gewrichtsklachten.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de gronden van appellante afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen slagen. De Raad is daarnaast van oordeel dat appellante in hoger beroep geen gegevens heeft overgelegd die moeten leiden tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank of die aanleiding geven tot het benoemen van een deskundige. Het Uwv heeft in hoger beroep gemotiveerd aangegeven waarom de in hoger beroep overgelegde medische informatie niet tot een ander oordeel kan leiden. Bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft bij rapportage van 30 september 2010 aangegeven dat de brief van neuroloog Goedseels van 22 juni 2010 geen nieuwe medische gegevens bevat. De MRI van 8 oktober 2009 is conform de MRI van 15 april 2008. Bij lichamelijk onderzoek worden door Goedseels dezelfde bevindingen gedaan als in zijn brief van 27 mei 2010. Bij de medische oordeelsvorming ten tijde in geding is in voldoende mate rekening gehouden met de rugklachten van appellante. Het Uwv verwijst naar de beperkingen die zijn opgenomen in de FML. Appellante is ruim na de datum in geding onderzocht door een reumatoloog vanwege gewrichtsklachten. Ter zitting is namens appellante aangegeven dat deze - tot op heden niet geobjectiveerde klachten - zijn ontstaan na de datum in geding. De Raad merkt op dat appellante zich in verband met toegenomen klachten na de datum in geding tot het Uwv kan wenden met een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad dan ook van oordeel dat uitgegaan moet worden van de belastbaarheid en beperkingen voor arbeid zoals deze zijn vastgesteld in de FML.

4.4. Ten aanzien van de (medische) geschiktheid van de functies is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de belasting van de functies de vastgestelde belastbaarheid voor arbeid van appellante niet overschrijdt.

4.5. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 is - voorzover hier van belang - bepaald, dat bij de bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden wordt ten minste verstaan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. Aangezien bij appellante geen sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren, onderschrijft de Raad dan ook niet haar stelling dat, nu zij de Nederlandse taal niet beheerst, zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zoals omschreven in 1.2 niet kan vervullen. Volgens de Resultaat Functiebeoordeling en de Arbeidsmogelijkhedenlijst zijn deze functies eenvoudig van aard en worden er geen verdergaande vereisten gesteld ten aanzien van schrijven of lezen. De Raad verwijst in dit verband ook nog op zijn jurisprudentie zoals neergelegd in zijn uitspraken van 16 januari 2001, LJN AL3647, van 4 januari 2008, LJN BC1241 en van 30 maart 2009,

LJN BI0338. Appellante woonde daarnaast op de datum in geding reeds 26 jaar in Nederland, heeft een taalcursus gevolgd en heeft in Nederland aan het arbeidsproces deelgenomen.

5. De Raad is gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.S.A. El Hana.

GdJ